Samenleving

  • 1 jaar geleden
  • essay
  • Trudy Oldenhuis
Samenleving

Voorouders

De zaal was met zeker zestig mensen goed gevuld. Op zoveel gasten was eigenlijk niet gerekend, maar veel mensen hadden net als ik pas op een heel laat moment bedacht dat ze hier toch bij wilden zijn: bij deze familiereünie.

Ja, al die mensen in dat zaaltje waren familieleden van elkaar, al hadden ze elkaar misschien tot op dat moment nog nooit gezien. Allemaal stamden ze af van ene Jan Oldenhuis en Nieske Meijer, die vanaf 1850 in het Groningse Spijk woonden.

Die dag hoorde ik dat deze Nieske Meijer, geboren in 1828, honderd jaar is geworden. Dat was zo uitzonderlijk in die tijd dat zelfs landelijke pers melding maakte van haar honderdste verjaardag.

Bij binnenkomst lag voor iedereen een kaartje klaar met de eigen naam, én die van de vader en grootvader. Het was duidelijk: hier draaide het niet alleen om jezelf, maar ook om je voorvaders. Fokko - Jan T. - Trudy vermeldde mijn kaart. Een achternaam was overbodig.

Er waren meer mensen in de zaal die Jan heetten, of Fokko, of Tiemen, of een combinatie daarvan. In de mannelijke lijn blijven voornamen lang bewaard, bleek maar weer. Tot mijn generatie ongeveer, want die aloude familienamen heb ik mijn kinderen niet meer gegeven. Ineens speet me dat toch, een klein beetje dan.

Van een familielid dat zich hierin verdiept had, leerde ik dat er onder mijn voorouders ondernemers, handwerkslieden en zelfs uitvinders waren. Ja, verre oudooms van mij vonden in de vorige eeuw de ‘Oldenhuis elevator’ uit, een imposante landbouwmachine waarmee oogstgewassen metershoog opgeborgen konden worden in de schuur. Ik wist tot op dat moment niet van het bestaan van deze machine af, maar ineens was ik trots op de inventiviteit van die oude Oldenhuizen.

Er werden ook pogingen gedaan om enkele algemene eigenschappen op te noemen van mensen met deze achternaam. Dat ze veel woorden nodig hebben om iets te zeggen. Dat ze dan zo een half uur praten waar anderen aan vijf minuten genoeg zouden hebben. En dat ze ook - ,,en nu moet ik voorzichtig zijn”, zei de gastheer erbij - soms ‘recalcitrant’ waren en graag hun eigen weg volgden. 

Instemmend gelach in de zaal. En voor iemand als ik, opgegroeid met een vader die te pas en te onpas riep: ‘Aig’n kop volg’n!’, klonk dat best herkenbaar. Ik keek om me heen en zag al die mensen, op de een of andere manier afstammend van dat ene echtpaar in Spijk. Ze kregen veertien kinderen, en de meesten stierven jong.

Zou deze Nieske ooit, staande aan het graf van een van haar kinderen, hebben beseft dat ze nog zoveel nazaten zou krijgen en dat die bijna honderd jaar na haar eigen dood elkaar eens zouden opzoeken? Natuurlijk niet. Jammer eigenlijk. Misschien had het haar nog een beetje getroost.