Samenleving

  • 1 maand geleden
  • essay
  • Mickael Franci
  • Hulpproject van Cordaid in Nepal, na de aardbeving in 2015. Foto: ANP
Samenleving

Samen verder, maar de drijfveer blijft hetzelfde

De van oudsher katholieke hulporganisatie Cordaid en het vanouds protestantse ICCO vormen vanaf dit jaar één organisatie. Cordaid-directeur Kees Zevenbergen: “We kunnen zo veel meer bieden.”

Het nieuwe jaar begon met groot nieuws in de Nederlandse ontwikkelingssector: hulporganisaties Cordaid en ICCO hebben de krachten gebundeld en gaan vanaf januari 2021 verder als één organisatie. Het is uniek dat twee van de grootste spelers op het gebied van internationale samenwerking in Nederland samengaan.

Daar komt bij dat de goede doelen hun oorsprong vinden in de twee religieuze stromingen die Nederland lange tijd hebben verdeeld. Cordaid is van oudsher katholiek, onder andere ontstaan uit het missionarissenwerk van Memisa, en ICCO komt voort uit de protestantse kerken.

Twee grote, internationale organisaties bijeenbrengen met honderden medewerkers en lokale kantoren in de meest afgelegen gebieden ter wereld: dat gaat niet zonder slag of stoot. Maar uiteindelijk moet deze logistieke operatie leiden tot een flinke kostenbesparing en meer efficiëntie. Naar schatting zal het nieuwe Cordaid vijf tot tien miljoen euro per jaar kunnen besparen, geld dat direct naar de armoedebestrijding zal gaan.

Een hoop praktisch geregel dus, voor het goede doel. Naast alle juridische en technische zaken die bij zo'n krachtenbundeling komen kijken, zijn er ook culturele verschillen die overbrugd moeten worden. Hoe breng je verschillende organisatieculturen en achtergronden bij elkaar? En hoe zal internationale samenwerking er uit gaan zien de komende jaren? Cordaid-directeur Kees Zevenbergen geeft antwoord.

Koers wijzigen

Zevenbergen trad eind 2016 aan als CEO van een organisatie met een rijke historie, maar ook een die zich de laatste jaren in stormachtig weer bevond. Na de afschaffing van het medefinancieringsstelsel in 2012, waarbij de overheid een aanzienlijke bijdrage garandeerde voor internationale samenwerking, werden veel Nederlandse organisaties gedwongen hun koers te wijzigen en, waar mogelijk, samenwerking te zoeken.

Naast minder steun van de overheid, hebben veel lage-inkomenslanden zich de laatste decennia ook razendsnel ontwikkeld en werd het tijd voor de ontwikkelingssector om de eigen werkwijze goed onder de loep te nemen. Daarom ging ICCO-directeur Sybren Attema in juni 2019 op bezoek bij Kees Zevenbergen, in zijn woonplaats Maasbommel.

Na 2012 werden veel Nederlandse organisaties gedwongen hun koers te wijzigen en, waar mogelijk samenwerking te zoeken

“Het is letterlijk hier begonnen”, zegt Zevenbergen via een videoverbinding. “Bij ons op de dijk, aan een tafeltje, uitkijkend over de Maas. Het is uiteindelijk heel basaal, maar het gaat gewoon om twee mensen die bij elkaar komen en elkaar begrijpen. Vinden we dezelfde dingen belangrijk? Is er een goed fundament voor verdere gesprekken? Dat zijn essentiële zaken om als eerste te bepalen. Anders ga je mogelijk een doodlopend traject in.” Het antwoord op die vragen was volmondig: ja.


In hoeverre speelden de verschillen in identiteit en achtergrond van beide organisaties al een rol in die eerste gesprekken?

“We vonden elkaar direct in de gedeelde christelijke waarden. Maar we hadden ook geleerd van eerdere pogingen tot samenwerking dat je de gesprekken over de grote vraagstukken als identiteit en visie niet te lang moet uitstellen. Plaats dat juist helemaal aan het begin. Juridische vormen en praktische zaken waren totaal nog niet aan de orde. Vervolgens zijn we gaan kijken op welke gebieden we elkaar aanvullen. Op dat moment zijn we meer mensen erbij gaan betrekken, want anders gaat het verhaal niet leven. Maar meer mensen aan tafel, maakt het ook weer complexer. Het is lastig, maar je moet de juiste balans vinden.”


Verwacht je ook protest tegen een katholiek-protestantse samenwerking?

“Voor een deel van onze achterban ligt het misschien wat gevoelig, maar ik zie juist winst in het grensoverschrijdend denken. Daarmee kunnen we ook onze katholieke rol versterken. Cordaid en ICCO opereren beiden vanuit het evangelie. Paus Franciscus heeft de katholieken gevraagd om allianties te zoeken in ‘het doen van goed’. Hij prijst onderlinge samenwerking voor het welzijn van de planeet en voor migranten, vluchtelingen en mensen in armoede. Dat is precies wat we doen en ik verwacht dat iedereen die Cordaid een warm hart toedraagt, daar ook achter zal staan.”

Voor een deel van onze achterban ligt het misschien wat gevoelig, maar ik zie juist winst in het grensoverschrijdend denken


Hoe zou je de relatie van Cordaid met de Katholieke Kerk omschrijven?

“Die relatie blijft onverminderd belangrijk, omdat die aantoont dat wij dit niet voor onszelf doen, maar geïnspireerd zijn door een groter verhaal. We willen onze spiritualiteit concreet in de praktijk brengen en de opdracht uitvoeren om de armste mensen onder ons een betere plaats in de maatschappij te gunnen en te geven. Het doet ook recht aan onze geschiedenis. Wij zijn van oorsprong een organisatie van priesters, missionarissen en leken die vanuit hun inspiratie en de oproep vanuit de kerk gebouwd hebben aan internationale samenwerking.

Daarnaast helpt de band met de kerk ons ook in praktische zin. Wij maken deel uit van Caritas Internationalis, het wereldwijde verband van katholieke hulporganisaties. Als er waar dan ook een ramp plaatsvindt, kunnen wij via dit netwerk direct contact leggen met de plaatselijke kerk en in actie komen. We zijn dus letterlijk onderdeel van een mondiale familie. ICCO heeft ook een groot en relevant netwerk. Behalve de logistieke operatie op onze kantoren, moeten we nu ook onze partnernetwerken bij elkaar brengen.”

Cordaid-directeur Kees Zevenbergen Kees op bezoek bij een project in Myanmar. Foto: Cordaid


Je bent zelf van protestantse huize. In hoeverre speelt dat een rol in hoe je dit hele proces hebt beleefd?

“Natuurlijk is je eigen afkomst belangrijk in de dingen die je doet. Dat kun je niet ontkennen. Maar ik heb mij vanaf dag één de beheerder van de Cordaid-identiteit gevoeld. Daarmee was ik soms roomser dan de paus, om maar een toepasselijke uitdrukking te gebruiken. Ik dacht: het zal onder mijn leiding niet gebeuren dat we de band met de Katholieke Kerk kwijtraken. Ik vind het juist een eer om te werken voor een organisatie die zo’n rijke inspiratiebron heeft als de kerk. Die traditie is waardevol en die wil ik bewaken.

Mijn achtergrond heeft mij wel geholpen om aan dat tafeltje bij de Maas met Sybren direct dezelfde taal te spreken. Ik sta met één been in het katholieke Cordaid en met mijn andere been in de protestantse traditie. Dat helpt mij juist om die brug te bouwen.”


Welke reacties heb je verder nog ontvangen na de bekendmaking van het nieuwe Cordaid?

“Van oud-collega’s, zowel van Cordaid als ICCO, en anderen uit de sector heb ik vrijwel alleen maar zeer opbeurende berichten gekregen. Veel mensen begrijpen deze stap en sommigen geven zelfs aan dat het hoog tijd was. Ook van onze eigen medewerkers over de hele wereld krijg ik berichten dat ze de samenwerking van harte steunen. Natuurlijk zijn er ook teleurstellingen. Dat we weggaan uit landen in Latijns-Amerika en Azië bijvoorbeeld, omdat we ons meer gaan richten op de meest kwetsbare regio’s in de wereld. Dat doet sommigen pijn. Ik begrijp dat goed. Maar ik denk dat we door die nauwere focus echt meer impact kunnen hebben.”


Wat betekent dit alles nu eigenlijk voor de mensen waar het om gaat: de mensen in de landen waar Cordaid werkt?

“We kunnen veel meer bieden. In die extreem lastige gebieden, waar oorlog is, rampen, armoede, noem maar op, kunnen wij meer betekenen voor gemeenschappen. Wij waren al goed in noodhulp, gezondheidszorg, onderwijs, werken aan vrede en veiligheid, maar kunnen nu ook veel meer expertise op het gebied van duurzame landbouw en de private sector aanbieden. Daardoor wordt onze impact breder. En het geld dat we overhouden door de kostenbesparingen, kan direct worden ingezet voor armoedebestrijding.”


Denk je dat Cordaid en ICCO met deze integratie een voorbeeld zullen zijn voor andere organisaties? In andere woorden, zullen er meer fusies gaan plaatsvinden?

“Het is onvermijdelijk dat al die verschillende partijen in Nederland zich gaan afvragen hoe ze de krachten kunnen bundelen. Dat hoeft niet per se een fusie te zijn. Samenwerken kan op allerlei manieren. Ik denk dat dit een eerste, grote stap is en dat er meer zullen volgen. De concurrentie is te groot en de kosten zijn te hoog. Kleine, felle niche-organisaties kunnen prima op zichzelf opereren. Dat zijn relevante spelers op een heel specifiek veld. Maar alle mainstreamorganisaties die min of meer hetzelfde soort werk doen, zouden zich moeten afvragen hoe het effectiever en efficiënter kan. Ik wil daar best een rol in spelen, als daar behoefte aan is.”

Cordaid zond vroeger artsen uit. Dan doen we niet meer. En dat is maar goed ook, want nu zijn er in de landen zelf hele goede artsen die we niet voor de voeten moeten lopen


De medewerkers van al die ngo’s proberen met man en macht te zorgen dat we de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties behalen. Minder armoede, meer inclusiviteit, een schonere planeet en nog veel meer. En dat alles vóór 2030. Maar hoe zien hulp- en ontwikkelingsorganisaties er eigenlijk uit over tien jaar?

“Heel anders. De tijd dat je vanuit een Nederlands hoofdkantoor kunt opereren is voorbij aan het gaan. Over tien jaar zijn wij een echte netwerkorganisatie. Dat is ook precies mijn droom: niet meer geleid zijn vanuit Nederland, maar op gelijke voet opereren met de partners in de landen. Wij kunnen een belangrijke rol spelen op het gebied van kennis en expertise. Partners kunnen ons vervolgens benaderen als ze een specifieke vraag hebben, in plaats van dat zij een soort onderaannemers zijn van hulp.”


Heb je dan nog wel voldoende bestaansrecht?

“Daar ben ik niet zo bang voor. Er is al zo ontzettend veel veranderd door de jaren heen. Cordaid zond vroeger artsen uit. Dat was jarenlang ons bestaansrecht. Dat doen we niet meer. En dat is maar goed ook, want nu zijn er in de landen zelf hele goede artsen die we vooral niet voor de voeten moeten gaan lopen. Het is dus goed dat dingen veranderen, maar onze drijfveer blijft hetzelfde. Er zijn problemen en daar willen we wat aan doen.

Ik vind het een prachtige opdracht om deskundigheid aan te bieden op aanvraag. De tijd van uitzenden is voorbij. Nu werken we aan systeemverandering en versterking. Dat we nu op dit punt zijn aanbeland, is juist een teken dat ons eerdere werk zijn vruchten heeft afgeworpen.”


Mickael Franci is redacteur bij Cordaid