Op weg naar een leefbaar inkomen voor koffieboeren

Hoeveel moet je betalen voor je koffie om zeker te weten dat een koffieboer er een eerlijk en goed inkomen aan overhoudt? Het eerlijke antwoord is: niemand weet het. Maar koffiehandelaar Sander Reuderink probeert het te weten te komen.

Jan Mark van Nunen
Afbeelding bij 'Op weg naar een leefbaar inkomen voor koffieboeren '
De prijs die boeren voor hun koffie krijgen is van grote invloed op hun inkomen. Foto: Menno Simons/Trabocca

‘Hoe kan ik bewijzen dat koffieboeren een leefbaar inkomen verdienen?’ Die vraag bezorgde koffiehandelaar Sander Reuderink slapeloze nachten. Hij weet dat hij de boeren met wie hij samenwerkt meer betaalt dan anderen, maar is het genoeg? De vraag is niet alleen relevant voor de betrokken boeren en hun families, want de koffieketen kan ook een bijdrage leveren als het gaat om de wereldwijde klimaatopgave. 

Wereldwijd komt 80 procent van de koffie van zo’n 25 miljoen zelfstandige koffieboeren tussen de keerkringen, dus uit tropische gebieden. Deze boeren hebben over het algemeen een stuk land om voedsel op te verbouwen, grotendeels voor eigen gebruik, en daarnaast verbouwen ze koffie als cash crop, om geld te verdienen. De prijs die ze voor hun koffie krijgen heeft daardoor een enorme invloed op hun inkomen en de leefomstandigheden van hun families.  

De meeste boeren moeten rondkomen van minder dan drie dollar per dag. Velen hebben zelfs minder dan 1,90 dollar per dag te besteden

De wereldwijde koffiemarkt kampt echter al jaren met lage prijzen, waardoor de meeste boeren moeten rondkomen van minder dan drie dollar (2,50 euro) per dag. Van hen leven velen zelfs onder de armoedegrens, wat betekent dat ze minder dan 1,90 dollar (1,60 euro) per dag te besteden hebben.  


Koffieplanten. Foto: Menno Simons/Trabocca

Toenemende productie

Dat de koffieprijs zo laag is, heeft volgens Sander Reuderink (35) meerdere oorzaken. Reuderink is commercieel directeur van Trabocca, een in Nederland gevestigd bedrijf dat koffie verhandelt op de wereldmarkt.  

Vanuit Amsterdam stuurt hij teams aan in het oosten van Afrika, waar koffie verbouwd wordt, in Nederland en in de Verenigde Staten, waar de koffie wordt afgezet. Daardoor staat hij in verbinding met meerdere schijven in de koffieketen. “De lage koffieprijs is voor een deel het gevolg van een sterk toenemende koffieproductie in Brazilië”, zegt Reuderink. “Daar zijn grote, industriële plantages die veel gebruikmaken van chemische bestrijdingsmiddelen en een hoge opbrengst hebben, al is dit wel een lage kwaliteit koffie.”  

Daarnaast heeft de markt last van speculerende handelaren. “Een groep van 167 speculanten had in 2018 een short-positie opgebouwd groter dan de jaarlijkse koffieproductie van Ethiopië, Vietnam, Colombia en Indonesië samen. Dat zijn na Brazilië de grootste koffieproducerende landen in de wereld. Dit resulteerde in de laagste koffieprijs sinds vijftien jaar en een winst voor de speculanten van een miljard euro.”  

Koffie onder de prijs

Short-selling is het verkopen van toekomstige leveringen die de verkoper op het moment van het sluiten van het contract niet in bezit heeft. ‘Short gaan’ is riskant, maar erg winstgevend als de prijs van een product daalt tussen het aangaan van een contract en de leverdatum. Short-selling is niet ongebruikelijk en het is toegestaan, maar werkt op zo’n grote schaal prijsverlagend en marktontwrichtend. 

“Boeren zijn daardoor zelfs genoodzaakt hun koffie onder de productieprijs te verkopen, waarmee ze in feite de winst verderop in de keten sponsoren”, stelt Reuderink. De gevolgen hiervan zijn talrijk, bijvoorbeeld dat boeren overstappen naar andere, wel winstgevende gewassen waaronder cocaplanten, de grondstof voor cocaïne.  

Ook de migratiegolf vanuit Latijns-Amerika naar de Verenigde Staten bestaat voor een deel uit koffieboeren die vanwege grote schulden hun boerderij hebben achtergelaten en op zoek gaan naar een nieuw leven. “De boeren die wel vasthouden aan hun boerderij en de koffieteelt leven in armoede en zijn niet in staat te investeren in hun productiemethoden of in volgende generaties. Ook werken de marktomstandigheden kinderarbeid en ontbossing in de hand.” 


Werkers verzamelen de koffie. Foto: Menno Simons/Trabocca

Bosplantages 

Om de gevolgen beter te begrijpen, is een duidelijker beeld nodig van hoe koffie verbouwd wordt. “Een Ethiopische koffieplantage is totaal niet wat wij ons er in eerste instantie bij voorstellen. Denk aan een bos. Tussen de bomen groeien de koffiestruiken, in de schaduw. De koffie groeit daar volledig in harmonie met de omgeving. De groei is langzaam, waardoor er veel smaakontwikkeling plaatsvindt. Het levert een hoge kwaliteit koffie op. Maar er is ook minder opbrengst in kilo’s.” 

De boeren onderhouden de koffiestruiken, maar tegelijkertijd ook het bos. De manier van koffieteelt heeft daardoor meer voordelen dan alleen een rijke koffiesmaak.  

De vraag kwam in mijn hardloopgroep. 'Waar kan ik een kopje koffie krijgen waarvan ik zeker weet dat de boer er fatsoenlijk voor betaald is?' Het eerlijke antwoord is: niemand weet het

Onderzoek van de Vlaamse wetenschapper Matthias De Beenhouwer wijst uit dat zulke bosplantages 3,5 ton CO2 per hectare opnemen. Maar voor grotere plantages met intensievere teelt – in de volle zon, dus zonder bomen en met machines en chemicaliën – gaat het CO2-voordeel niet meer op. In de huidige markt zijn deze industriële plantages echter de enige die kunnen concurreren.  

Om de bosplantages in stand te houden, moeten de kleine koffieboeren dus beter betaald worden. Maar hoeveel is genoeg? “De vraag kwam van een meisje in mijn hardloopgroep”, vertelt Reuderink. “‘Waar kan ik een kopje koffie krijgen waarvan ik zeker weet dat de boer er fatsoenlijk voor betaald is?’ Ik werk al jaren in de koffiehandel, maar ik moest het antwoord schuldig blijven. Ik weet dat wij meer betalen dan andere bedrijven, maar is het genoeg? Het eerlijke antwoord is: niemand weet het in de sector.” 


Bosplantage in Ethiopië. Foto: Menno Simons/Trabocca

Fairtrade 

Hoe dat zit met Max Havelaar of Fairtrade koffie? Het keurmerk belooft toch ook eerlijke prijzen voor de boeren? “Fairtrade heeft fantastisch werk gedaan de afgelopen decennia”, zegt Reuderink. “Ze hebben het onderwerp op de agenda gezet en enorm bijgedragen aan bewustwording in de westerse wereld. Maar zij werken met coöperaties. In het oosten van Afrika, waar wij zakendoen, is het opzetten daarvan lastig omdat het merendeel van de boeren analfabeet is. Fairtrade controleert de prijs die de coöperaties krijgen voor hun producten, zeg maar in de haven, maar gaat niet over de betaling aan een individuele boer. Laat ik het zo zeggen: het is 2020, tijd voor een volgende stap.” 

De vraag van zijn medehardloper zette Reuderink serieus aan tot actie. “Ik heb toen een aantal nachten niet geslapen en gewerkt aan een plan voor een rekenkundig model. We weten dat we de boeren dit jaar 27 Ethiopische birr, omgerekend 1 dollar (of 85 eurocent, red.) per kilo koffiebessen betalen en hebben van horen zeggen dat andere boeren in de regio 12 tot 15 birr krijgen. Dan betalen we dus meer, maar wanneer is het inkomen leefbaar? Daarvoor is veel meer informatie nodig. Hoeveel kilo koffiebessen produceert een boer? Hoe groot is zijn familie, hoeveel monden moet de boer voeden? Wat zijn de kosten van de productie en van het levensonderhoud ter plaatse? En we willen ook dat de boeren kunnen investeren in volgende generaties, dus dat de kinderen naar school gaan, en in hun productie. Wat kost dat?”  

Reuderink besloot data te gaan verzamelen van een groep boeren van 278 boeren in Guji, in Zuid-Ethiopië, met wie hij al langer samenwerkte. “We hebben ze geholpen bij het verkrijgen van certificaten voor fairtrade en biologische teelt. Als we alles op een rij hebben, willen we per merk inzichtelijk maken welk percentage van de boeren een leefbaar inkomen verdient. Er komt dan bijvoorbeeld uit dat 75 procent van de boeren een leefbaar inkomen uit de koffieteelt haalt. Maar dat kan ik nu nog niet zeggen. En we moeten reëel blijven: een boer met maar een paar struiken zal er nooit een leefbaar inkomen uithalen.” 

De methode die Reuderink ontwikkelt, is volgens hem voor meerdere, maar niet alle producten geschikt. “Rietsuiker is bijvoorbeeld een bulkproduct, dat gaat niet werken. Maar voor thee of cacao zou het kunnen. Het moeten traceerbare producten zijn. Katoen is ook een mogelijkheid.” 


Om te weten wat een leefbaar inkomen is, zijn meer gegevens nodig dan alleen de prijs van de koffie. Foto: Menno Simons/Trabocca

Klimaatdiensten betalen 

Reuderink ziet daarnaast mogelijkheden om de boeren een aanvullend inkomen te verstrekken voor klimaatdiensten, voor de CO2 die in de bossen die ze beheren wordt opgeslagen. “Het zou een goede aanvulling van hun inkomen kunnen zijn, maar daar zijn we nog niet. Daarvoor is een goed systeem nodig dat toegankelijk is voor deze boeren.”  

Het huidige systeem van carbon credits, waarmee uitstootrechten op de wereldmarkt verhandeld kunnen worden, voldoet daar niet aan. “Op dit moment is het certificeren duurder dan wat het zou opbrengen. Het is bovendien geen waterdicht systeem. Het kan voorkomen dat hetzelfde bos op twee verschillende manieren wordt geaccrediteerd zonder dat dit wordt ontdekt. De bedenkers van het systeem weten dit en zijn ermee aan het werk.” 

Consumenten kunnen kritisch blijven en om bewijzen vragen. En zich niet laten afschepen met alleen een foto van een lachende koffieboer

Een eenvoudiger optie is volgens Reuderink om binnen de koffieketen zelf aan de slag te gaan met de klimaatverdiensten van de boeren. “We zouden de hele koffieketen klimaatneutraal kunnen maken. De CO2-uitstoot van het transport kan worden gecompenseerd met de CO2-opslag van de plantages. Daarvoor kunnen we de boeren betalen.” 

Zo is Reuderink doelgericht bezig met een leefbaar inkomen voor de boeren. De opdracht die hij zichzelf daarin stelt, is helder. “We moeten laten zien dat onze werkwijze een succesvol bedrijfsmodel oplevert. Daarvoor moeten we het verhaal begrijpelijk en bewijsbaar aan de consument presenteren. Als we succesvol zijn, kan een groter deel van de industrie met deze werkwijze aan de slag en kan de overheid er beleid op afstemmen. Maar eerst moeten wij het laten zien.” 

Wat consumenten intussen kunnen doen? “Kritisch blijven. Om bewijzen vragen. En zich niet laten afschepen met alleen een foto van een lachende koffieboer.” 

 

 

Deel dit artikel