Samenleving

  • 1 jaar geleden
  • interview
  • Trudy Oldenhuis
  • Kim Putters: “De problemen waren er al en deze crisis komt er bovenop.” Foto: ANP
Samenleving

Kim Putters: Als we iets willen veranderen, moeten we het nu doen

De coronacrisis heeft in Nederland ook oude problemen onder een vergrootglas gelegd, zoals de groeiende ongelijkheid in de samenleving en de onzekere positie van flexwerkers en zzp’ers op de arbeidsmarkt. Als de overheid daar wat aan wil doen, moet het snel gebeuren. 

“Dit lost zich niet vanzelf op”, zegt Kim Putters (46), directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) halverwege het gesprek. En met ‘dit’ bedoelt hij problemen in de samenleving die er al langer waren, en waarvoor ‘zijn’ SCP ook eerder gewaarschuwd heeft, maar die door de coronacrisis duidelijker zichtbaar zijn geworden. 

Welke problemen dat zijn: bijvoorbeeld de onzekere positie van flexwerkers en zzp’ers op de arbeidsmarkt en de groeiende sociale ongelijkheid in de samenleving. Want ga maar na: een schoolsluiting zoals die plaatsvond tijdens de coronacrisis treft kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen – gezinnen met een migratieachtergrond, met lager opgeleide ouders of met een lager inkomen – veel harder dan kinderen van wie de ouders wél kunnen helpen bij het huiswerk maken en die gemakkelijk een extra laptop kunnen aanschaffen voor al dat digitale onderwijs. Bovendien kunnen ook in minder kwetsbare gezinnen de tijd en vaardigheid ontbreken om goed onderwijs te geven, waardoor ongelijkheden toenemen. 

Het was al in een eerste beleidssignalement van het SCP van 7 mei, getiteld ‘Eerste doordenking maatschappelijke gevolgen coronamaatregelen’ dat het planbureau deze ongelijkheid signaleerde. Vooral kinderen uit kwetsbare groepen ‘lopen mogelijk leerachterstanden, sociale achterstanden en een kleinere kans op passende doorstroming naar vervolgonderwijs op’, schreef het SCP. Deze boodschap werd herhaald in een publicatie op 18 mei, toen het SCP signaleerde dat ‘zowel in welvaart als in welbevinden verschillen en ongelijkheid rap kunnen toenemen.’ 

Een schoolsluiting treft kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen veel harder dan kinderen van wie de ouders wél kunnen helpen bij huiswerk en die een extra laptop kunnen aanschaffen

De coronacrisis maakt kwetsbare mensen dus nog kwetsbaarder. Wat betekent dit voor de samenleving op de langere termijn?  

“De problemen waren er al en deze crisis komt er bovenop. Neem inderdaad de schoolsluiting. Leerlingen die een achterstand hebben opgelopen, zijn niet toevallig vaak leerlingen uit een sociaal achtergesteld milieu, waarvan ouders niet goed bijles konden geven. Of zie de ouderen: zij die in het verpleeghuis zitten en geen bezoek mochten krijgen, zijn al de kwetsbaarste ouderen in onze samenleving. Je komt immers pas in een verpleeghuis als je kwetsbaar bént, omdat het beleid er al jarenlang op gericht is dat ouderen zolang mogelijk thuis blijven wonen. En juist de bewoners van verpleeghuizen werden hard geraakt door de maatregelen. 

Maar daarnaast zien we ook dat er door de coronacrisis een nieuwe groep kwetsbaren bij is gekomen. Gezinnen waarbij beide ouders zzp’ers waren bijvoorbeeld, en die het tot de crisis best wisten te redden, maar nu niet meer. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat dit vooral geldt voor zzp’ers die normaal een middeninkomen hebben. Zij hebben vaak zwaardere hypotheeklasten in vergelijking met zzp’ers met lagere inkomens. Op die groep moet je nu dus goed letten. 

Door de coronacrisis is er een nieuwe groep kwetsbaren gekomen. Gezinnen waarbij beide ouders zzp’ers waren bijvoorbeeld, en die het tot de crisis best wisten te redden, maar nu niet meer

Op de langere termijn raken deze mensen in de problemen? 

“De effecten van een crisis als deze sijpelen nog lang door. Veel mensen zijn niet in één keer al hun geld kwijt, maar hebben eerst nog wel een buffer. Daardoor kunnen ze het nog even uitzingen en kunnen hun kinderen nog wel een jaartje lid blijven van de sportclub of muziekvereniging. Maar op den duur houdt dat op.” 

Ik zag dat ook toen ik in 2013 bij het SCP kwam. De armoedecijfers liepen op en dat was nog steeds het gevolg van de crisis van 2008. Na die crisis stegen de armoedecijfers pas zo’n twee tot drie jaar later. Dat kunnen we nu ook gaan zien. En dat probleem lost zich niet vanzelf op. Daar is ingrijpen van de overheid voor nodig.” 


Een vrouw praat door het raam van een verzorgingstehuis met haar echtgenoot. Lange tijd gold door corona een bezoekverbod voor verzorgingstehuizen. Foto: Hoge Noorden/Jacob van Essen

Hoe kan de overheid dat doen? 

“Voor de arbeidsmarkt is het nodig dat er een goed programma van om- en bijscholing komt, vooral voor mbo’ers en oudere werknemers. Als je niet aan bijscholing doet, sta je eerder aan de kant. En er moet meer zekerheid komen voor flexwerkers. De plannen daarvoor liggen er al, bijvoorbeeld het rapport van de commissie-Borstlap.  

Ook op het gebied van klimaatverandering is het nodig om nu beslissingen te nemen: hoe komen we tot een duurzame economie? Het is begrijpelijk dat je tijdens de crisis bepaalde bedrijven steunt, maar sommige sectoren willen we misschien helemaal niet houden zoals ze nu zijn. Daar moeten we dan nu sturen op meer duurzame bedrijvigheid. 

En hierbij geldt steeds: als je nu niets doet, heb je over een of twee jaar een groter probleem. Dan groeit de ongelijkheid en dan wordt de economie niet duurzaam. 

Het is begrijpelijk dat je tijdens de crisis bepaalde bedrijven steunt, maar sommige sectoren willen we misschien helemaal niet houden zoals ze nu zijn

In een gecombineerde brief van het SCP, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Planbureau (van 28 mei, red.) hebben wij deze zorg diplomatiek verwoord: ‘wij adviseren om’ of ‘het is belangrijk na te denken over de langere termijn’. Iets minder diplomatiek zeg ik: ‘Schiet alsjeblieft een beetje op.’” 

Anderhalvemetersamenleving 

In de brief van 28 mei riepen de planbureaus de regering op om niet de langere termijn uit het oog te verliezen. Ook waarschuwden ze voor het gebruik van termen als ‘anderhalvemetersamenleving’ en ‘het nieuwe normaal’. ‘Het doel van het herstelbeleid kan niet een samenleving zijn waarin mensen altijd en overal anderhalve meter afstand tot elkaar moeten blijven houden.’ 

 

Hoe moet het dan wel? 

“De maatregel van anderhalve meter afstand is een middel om verspreiding van het virus tegen te gaan en moet geen doel zijn op zichzelf. Jaap van Dissel van het RIVM benadrukt ook telkens dat anderhalve meter afstand houden ook geen 100 procent garantie biedt op veiligheid voor corona en Covid-19. Anderhalve meter is op zichzelf ook al relatief: in Engeland hanteren ze een afstand van twee meter en in andere landen één meter. 

Je ziet bovendien nu al dat sommige groepen in de samenleving zich niet aan die anderhalve meter afstand houden, bijvoorbeeld omdat ze het niet begrijpen. Denk aan dementerenden en mensen met verstandelijke beperkingen. 

De maatregel van anderhalve meter afstand is een middel om verspreiding van het virus tegen te gaan en moet geen doel zijn op zichzelf

Er zijn ook mensen die het risico niet zien, vaak jongeren, en die zich er bewust niet aan houden. En andere mensen zien hoe ingewikkeld dat afstand houden eigenlijk is, bijvoorbeeld in het openbaar vervoer en op scholen, en vragen zich af: waarom zou ik steeds die moeite moeten doen? Zodra mensen het gevoel krijgen dat anderen zich niet aan de regels houden en zijzelf wel, geeft dat een onrechtvaardig gevoel of het idee dat de overheid hen iets onzinnigs oplegt. Dan ontstaat wat wij wel het `Gekke Henkie Syndroom’ noemen en ebt het draagvlak voor maatregelen weg. ” 

 

En dan is het belangrijk hoe zo’n maatregel gecommuniceerd wordt. 

“Het draagvlak is nu nog groot, maar om dat zo te houden, is het belangrijk dat je goed communiceert dat dit een tijdelijke maatregel is. Maak het dus niet absoluut. Steeds afstand houden druist ook in tegen onze behoefte aan sociaal contact. Kijk maar naar het thuiswerken: in het begin is dat vaak wel prettig en doe je misschien wel meer dan op kantoor. Maar na drie maanden is voor veel mensen de lol er wel af. Dan missen we contact met collega’s en merken we hoeveel behoefte we er eigenlijk aan hebben om elkaar weer te zien.” 

Bij mooi weer trokken mensen erop uit, ook met anderhalve meter afstand, zoals hier in de Prinsentuin in Leeuwarden. Foto: Hoge Noorden/Jaap Schaaf

Vrijwilligerswerk 

De coronacrisis bracht niet alleen problemen, maar ook nieuwe solidariteit en gemeenschapszin. Veel mensen boden zich aan als vrijwilliger, individueel of via vrijwilligersorganisaties.  

 

‘Naar elkaar omzien’ kreeg bijna een nieuwe betekenis in deze crisis. Is er wat dat betreft werkelijk sprake van een nieuwe solidariteit in de samenleving of hoort zoiets bij een crisisbeleving? 

“Ik denk dat we daarin nuchter moeten zijn. Als SCP signaleerden we jaren geleden al dat er heel veel vrijwilligerswerk gebeurde in Nederland. Voor de crisis verleenden al vier miljoen Nederlanders een vorm van mantelzorg. Een derde van hen deed dat acht uur per week, minimaal drie maanden achter elkaar. De rek was er wat dat betreft al wel zo’n beetje uit.  

In de crisis zag je wel een groot aanbod van vrijwilligers, maar dat waren niet allemaal nieuwe vrijwilligers Veel ander vrijwilligerswerk was immers gestopt. Je kon niet meer op bezoek in het verpleeghuis en de sportclub was dicht. Dus iemand die anders drie keer per week een familielid in een verzorgingstehuis bezocht, deed nu misschien boodschappen voor een buurtgenoot. Dat is mooi, maar dat betekent dus niet dat er per se méér vrijwilligerswerk werd gedaan dan voor de crisis.” 

Ik denk dat we al blij mogen zijn als de vrijwillige inzet weer terugkomt op het niveau van voor de coronacrisis

 Hoe groot is de kans dat die nieuwe vormen van vrijwilligerswerk blijven bestaan? 

“Ook daarin moeten we realistisch zijn. We kunnen gewoonweg niet verwachten van mensen dat ze straks, als ze weer worden opgenomen in de hectiek van het drukke leven, nog steeds zoveel vrijwilligerswerk doen als toen ze thuis zaten. Veel mensen hebben een baan, in gezinnen werken vaak beide partners en we leven nog steeds in een geïndividualiseerde samenleving. Ik denk daarom dat we al blij mogen zijn als de vrijwillige inzet weer terugkomt op het niveau van voor de coronacrisis. Dat realisme moet de overheid overigens ook hebben: als die in nieuwe beleidsplannen gaat rekenen op veel extra inzet door vrijwilligers, is dat wel een reden om een alarmbel te laten rinkelen.” 

Vrijwilligers maken muziek voor ouderen in een verzorgingshuis tijdens de coronacrisis. Foto: Simon Bleeker


De overheid rekent er nu al wel op dat veel mensen mantelzorg verlenen. 

“Dan hebben we het over het sociaal domein en ook daarvoor geldt dat de problemen er al eerder waren, maar door de crisis meer aan het licht zijn gekomen. Uit SCP-evaluaties uit de afgelopen jaren bleek al dat in het sociaal domein het nodige aan de hand was. De jeugdzorg is te ingewikkeld en te weinig toegankelijk voor probleemgezinnen, mensen met arbeidsbeperkingen komen onvoldoende aan werk, de ondersteuning in het passend onderwijs schiet tekort en mantelzorg kan alle professionele zorg niet vervangen. Met die evaluaties moet wat gedaan worden, maar door de crisis heeft dit stil gelegen. En toch is er haast bij geboden.” 

Ook voor het sociaal domein geldt dat de problemen er al eerder waren, maar dat die door de crisis ook meer aan het licht zijn gekomen

Maar kunnen gemeenten daar veel aan doen? Al voor de coronacrisis kampten veel gemeenten met grote tekorten juist op het gebied van het sociaal domein. 

“Gemeenten kunnen in de uitvoering wel wat verbeteren, maar er zijn inderdaad verschillende bottlenecks. En de belangrijkste is geld. De decentralisatie van de zorg is gepaard gegaan met bezuinigingen. Gemeenten moesten het werk uitvoeren, maar kregen daarvoor minder geld. En zij zijn voor dat geld wel afhankelijk van het rijk, want veel mogelijkheden om hun eigen inkomsten te vergroten hebben ze niet.  

Ik heb daarom bij het kabinet al wel eerder gezegd: ontwikkel een visie op lokaal en regionaal bestuur. Willen we naar een Zweeds model, waarbij het lokale bestuur een grote mate van autonomie bezit? Of gaan we naar een 2.0-variant van het huis van Thorbecke, onze huidige bestuurlijke indeling tussen rijk, provincie en gemeenten? Gemeenten hebben nu te veel het gevoel dat ze ergens tussenin hangen. En dat wordt er met een nieuwe economische crisis niet beter op.”