Hoe een kind met autisme blijer en evenwichtiger kan worden

Beeldende therapie kan kinderen met autisme helpen om zelfvertrouwen te krijgen, emoties te hanteren en flexibeler te worden. Dat is de conclusie van het onderzoek waarop Celine Schweizer onlangs promoveerde.

Wouter Hoving
Afbeelding bij 'Hoe een kind met autisme blijer en evenwichtiger kan worden'
Celine Schweizer promoveerde op beeldende therapie voor kinderen met autisme. Foto: Marchje Andringa

Al jaren worden kinderen met autisme naar beeldende therapie doorverwezen. De therapie zou kinderen helpen zich uit te drukken met gebruik van materialen zoals potloden, verf, hout, steen, klei of textiel.

Desondanks zijn er nog veel onbeantwoorde vragen, schrijft Celine Schweizer in haar proefschrift. Een daarvan is: wat zijn resultaten die met de therapie bereikt kunnen worden bij kinderen met autisme?

Schweizer (59), beeldend therapeut en docent beeldende therapie aan hogeschool NHL Stenden in Leeuwarden, promoveerde onlangs aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze kwam erachter dat er – buiten achttien case studies met succesverhalen over beeldende therapie bij kinderen met autisme – uitzonderlijk weinig onderzocht was over de therapie. Het gebrek aan bewijs over de werking van de therapie is onwenselijk, onder meer omdat het zorgverzekeraars minder happig maakt op het vergoeden ervan.

Zelf ondervond Schweizer, die zeventien jaar in kinder- en jeugdpsychiatrische instellingen in Rotterdam en Gouda werkte, het nut van beeldende therapie voor kinderen met autisme. Die praktijkervaring wilde ze graag met onderzoek onderbouwen.

Extreme problematiek

Het is opmerkelijk dat er weinig onderzoek gedaan is naar beeldende therapie. Die wordt voornamelijk ingezet bij kinderen met extreme problematiek. Schweizer: “Het gaat in dit onderzoek om kinderen met autisme die extreem onzeker zijn, heel erg somber zijn of emotioneel kunnen uitbarsten en dan moeilijk weer rustig kunnen worden. Ze kunnen vaak niet goed aangeven wat er in hen omgaat en sluiten moeilijk aan bij anderen. Soms vinden ouders briefjes met teksten als ‘ik wil niet meer leven’.”

Beeldende therapie heeft zeker zin, concludeert Schweizer in haar onderzoek onder een kleine groep van twaalf kinderen met autisme. Zij onderzocht de verandering door de therapie bij de kinderen op vier thema’s: zelfgevoel, emotieregulatie, flexibiliteit en sociaal gedrag.

Elf van de twaalf kinderen werden evenwichtiger en blijer en konden na de behandeling beter uiting geven aan hun ervaringen

Voorafgaand aan, tijdens en na afloop van de therapie vulden ouders, leerkrachten en kinderen vragenlijsten in over de therapie. Hieruit bleek dat zeven van de twaalf kinderen zich flexibeler en socialer gingen gedragen.

Ook beschreven ouders en leerkrachten het kindgedrag in de formulieren. Die beschrijvingen geven een nog positiever beeld van de uitkomsten. Elf van de twaalf kinderen werden evenwichtiger en blijer en konden na de behandeling beter uiting geven aan hun ervaringen.

Bij hulpverlening aan kinderen met psychische problemen is 35 tot 62 procent van de behandelingen succesvol, blijkt uit verschillende onderzoeken. “In vergelijking hiermee geeft beeldende therapie dus een prima resultaat.”

Dat er maar een kleine groep onderzocht is, is volgens Schweizer goed te verdedigen. “Deze kinderen verschilden sterk van elkaar en een kleinschalig onderzoek geeft gelegenheid om naar de resultaten van de behandeling per individu te kijken.”

Nieuwe vaardigheden

Hoe werkt beeldende therapie dan? Bij de therapie leren kinderen zich te uiten, niet door te praten, maar door iets te doen. Schweizer noemt een voorbeeld van een jongen die een vogelhuisje wil maken met hout. “Hout zagen met de hand, dat valt niet mee. Als je te hard zaagt, blijven de tanden hangen in het hout. Dat is heel frustrerend. Kinderen kunnen dan boos of teleurgesteld reageren en afhaken: ‘stomme zaag!’ De therapeut zegt dan: ‘Wat jammer, want dit was zo’n leuk idee’, en helpt het kind om vol te houden, bijvoorbeeld te ondersteunen met leren zagen. Zo leren kinderen al doende hulp vragen en ontvangen, omgaan met frustraties en ze leren vaardigheden waarmee ze zich competenter voelen. Daarvoor zijn beeldend therapeuten opgeleid.”

Als onderdeel van het onderzoek stelde Schweizer een behandelprogramma op, waarin ze in de toekomst beeldend therapeuten wil trainen. Daarnaast wil ze de therapie graag invoeren bij scholen en instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie.

“Dat is een van mijn grote wensen. Wanneer je kinderen met autisme bijvoorbeeld een uurtje uit de klas haalt voor beeldende therapie, dan kunnen ze even resetten, aangeven wat ze moeilijk vinden en hulp vragen. Nu krijgen kinderen in de klas soms keer op keer negatieve ervaringen, waardoor zij zich overprikkeld, onzeker en onvermogend kunnen voelen.”


Vier thema’s

Celine Schweizer definieert in haar onderzoek vier thema’s waar beeldend therapeuten kinderen met autisme in kunnen helpen verbeteren.

• Zelfgevoel. De emotionele leeftijd van een kind met autisme komt niet overeenkomt met de kalenderleeftijd. Ze hebben vaak moeite om te herkennen wat ze voelen. Door beeldende therapie kunnen kinderen succeservaringen opdoen, plezier hebben, zich rustiger en competent voelen, waardoor zij meer zelfvertrouwen ontwikkelen.

• Emotieregulatie. Kinderen met autisme kunnen erg overstuur raken en moeilijk weer rustig worden. Frustratie kan er in één keer uitkomen. Schweizer: “Het is voor niemand fijn als kinderen bijvoorbeeld met boeken gooien door de klas of onder tafels wegkruipen. Tijdens beeldende therapie is er begeleiding om die emoties te leren hanteren.”

• Flexibiliteit. Deze kinderen hebben over het algemeen verminderde flexibiliteit. Zij kunnen bijvoorbeeld moeilijk omgaan met veranderingen. Vaak hebben deze kinderen vaste patronen. Het maken van dingen met verschillende, gevarieerde materialen bij beeldende therapie lijkt bij te dragen aan flexibeler gedrag en denken.

• Sociaal gedrag. Dit zal voor veel van deze kinderen altijd lastig blijven, zegt Schweizer. Maar uit haar onderzoek komt naar voren dat ze socialer worden wanneer ze beter worden in de voorgaande drie thema’s. Schweizer: Dan kunnen ze beter aangeven: dit vind ik fijn en dit niet. Anderen begrijpen het kind beter als het kan vertellen wat er in hem of haar omgaat.”

 

Deel dit artikel