Samenleving

  • 1 jaar geleden
  • essay
  • Lucas Meijs en Margot Kwee
  • De anderhalvemetermaatregel is in handen gelegd van andere organisaties dan de landelijke overheid. In handen van de Horecabond bijvoorbeeld. Terras in Delft. Foto Daniel Enchev
Samenleving

Het succes van de anderhalvemeter-regel is van ons allemaal

De nieuwe anderhalvemetersamenleving kan alleen slagen als er aan een aantal basisvoorwaarden is voldaan. Vergelijk het met de oude brink of meent, waarvan iedereen gebruik mocht maken.

Nu Nederland de strenge corona-lockdown heeft losgelaten, gaat ons land weer terug naar een minder gecentraliseerd regime. Onderdeel hiervan is dat het beheren van de ‘anderhalvemeter-regel’ in handen wordt gelegd van allerlei organisaties in de samenleving, zoals Koninklijke Horeca Nederland, sportbonden, winkeliersverenigingen, gemeenten en bedrijven. Maar ook lossere gemeenschappen zoals vriendenclubs en de toevallige gemeenschap van mensen die samen op een terras zitten, samen met de uitbater, moeten de regel handhaven.

Het succes van de ‘anderhalvemeter’ hangt af van al deze verschillende gemeenschappen, waaronder heel veel vrijwilligersorganisaties. Iedereen is dus beetje ‘eigenaar’. Dit betekent dat één partij - tot nu toe de overheid - onmogelijk de situatie en het gedrag kan reguleren, hoe krampachtig zij dit ook probeert.

Iedereen, individueel en via georganiseerde verbanden, draagt (gedeelde) verantwoordelijkheid voor de anderhalvemeter-regel. Het gaat om gezamenlijk beheer met een spannende combinatie van vrijwilligheid, maar niet vrijblijvendheid.

Principes

Een dergelijke situatie wordt een meent (of commons) genoemd. Nobelprijswinnaar Elinor Ostrom heeft haar levenswerk gemaakt van onderzoek naar het beheren van de meent.

Juist het karakter van een meent - van iedereen en van niemand - leidt tot een groot risico op een ‘tragedie van de meent’. Die tragedie houdt in dat het streven naar maximale opbrengst door individuen en private organisaties leidt tot een vernietiging van de meent.

Iedereen is een beetje 'eigenaar' van de anderhalvemeter-regel. Eén partij kan onmogelijk de situatie en gedrag reguleren, hoe krampachtig zij dit ook probeert

Om te voorkomen dat de opgebouwde corona-veiligheid als een tragedie teloorgaat, is het belangrijk om te werken met de acht basisvoorwaarden (design principes) van Ostrom voor stabiel beheer van gedeelde hulpbronnen.

1) Duidelijke definities en grenzen

2) Aanpassing aan de lokale context

3) Gemeenschappelijke besluitvorming

4) Toezicht door en in opdracht van de gemeenschap

5) Passende straffen bij misbruik

6) Erkende arbitrage bij geschillen

7) Zelfbeheer door de gemeenschap met (h)erkenning door de overheid

8) Grootschalige meenten bestaan uit een gelaagd systeem van lokale meenten en gemeenschappen

Gelaagd systeem

Tot nu toe was er sprake van een grote Nederlandse ‘commons’ of meent waarvan de grens ongeveer samenviel met de landsgrens (principe 1), met weinig ruimte voor lokale invulling (principes 2 en 7) en een centrale rol voor de overheid voor de principes 3, 4, 5 en 6.

Nu echter wordt de grootschalige landelijke meenten opgebroken naar een gelaagd systeem van deel-meent (principe 8) via gezamenlijke (maatschappelijke) organisaties. Nu het gecentraliseerde regime voorbij is met het versoepelen van de lockdown, ontstaan er dus deel-meenten in de samenleving.

De eerste stap is het benoemen van grenzen (principe 1) zoals die tussen leeftijden (oud versus jong) en met name beroepen en sectoren die weer open mogen of gesloten blijven (sportverenigingen versus sportscholen die later open gaan; basisscholen en kinderdagverblijven versus middelbare scholen en universiteiten; theaters versus vliegtuigen).

De grootschalige landelijke meenten worden opgebroken naar een gelaagd systeem van deel-meent via gezamenlijke (maatschappelijke) organisaties

Ook zien we, karakteristiek voor de Nederlandse poldercultuur en passend bij deze stap, dat de principes 3 en 7 duidelijker door deelgemeenschappen (in de civil society) worden ingevuld (principe 2).

Bijna iedere bedrijfstakorganisatie komt met zelfbeheer en eigen invullingen om veilig weer te kunnen beginnen, en krijgt daarvoor (h)erkenning van de hogere autoriteiten. Een mooi voorbeeld is dat de horeca twee mensen binnen anderhalve meter aan een tafel laat zitten, die niet tot hetzelfde huishouden behoren.

Betrokken vrijwilligers

Wij pleiten ervoor om deze decentralisatie voort te zetten. Nederland heeft een lange en succesvolle traditie van maatschappelijke organisaties, met heel betrokken vrijwilligers in besturen en uitvoering, die hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dit kan echter alleen wanneer de landelijke overheid met de parlementaire democratie namens ons allemaal en namens alle deel-meenten verantwoordelijk blijft voor de principes 4 (toezicht), 5 (straffen) en 6 (arbitrage).

De afhankelijkheid tussen de verschillende deel-meenten is namelijk te groot om zonder overheidssturing succesvol te zijn. Het gaat om al oude begrippen als ‘soevereiniteit in eigen kring’ en ‘subsidiariteit’.

Onderdeel

Wij roepen alle Nederlandse deel-meenten op te erkennen dat ze onderdeel zijn van het grotere geheel en hun eigen belang niet vóór het collectieve te zetten. Wij roepen de landelijke overheid op haar rol van ‘wijze beheerder’ serieus te nemen: de teugels laten vieren waar en zolang het kan, maar ze weer strak kunnen, willen en van de anderen mogen aanhalen als blijkt dat bijvoorbeeld gedeelde tafels in de horeca te grote implicaties hebben.

Nederland heeft een lange en succesvolle traditie van maatschappelijke organisaties, met heel betrokken vrijwilligers in besturen en uitvoering, die hun verantwoordelijkheid kunnen nemen

Anders lopen we toch echt het risico op een daadwerkelijk levensgevaarlijke variant van de tragedie van de meent: een samenleving waarin veiligheid rondom het corona virus niet gewaarborgd kan worden. Inderdaad, ‘alleen samen krijgen we corona onder controle’, en daarbij past dus niet een topdown benadering. Leve de meent! 

 

Lucas Meijs is hoogleraar Strategische Filantropie en Vrijwilligerswerk, Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM)

Margot Kwee is MSc International Management, Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM). Zij is afgestudeerd met een scriptie over de afvalscheidingsregel in flatgebouwen als een commons