Deugen de meeste mensen? Vaak wel, maar vaak ook niet

Rutger Bregman verwierf bekendheid met zijn boek 'De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens.' Helaas: zijn verhaal is niet nieuw, het is geen geschiedenis en het gaat niet over de mens.

Paul van Seters
Afbeelding bij 'Deugen de meeste mensen? Vaak wel, maar vaak ook niet'
In de massa is de mens een barbaar, een instinctief handelend schepsel, schreef Gustave le Bon. Foto: Shutterstock

Rutger Bregman is pas 32, maar heeft al twee internationale bestsellers op zijn naam staan: Gratis geld voor iedereen (2014), inmiddels in 32 landen uitgebracht, en De meeste mensen deugen (2019), waarvan in Nederland binnen een jaar meer dan 300.000 exemplaren zijn verkocht. Onlangs verscheen daarvan een Engelstalige editie. Petje af voor deze productieve schrijver.  

Aan zijn laatste boek lijkt Bregman, historicus en medewerker van het journalistieke platform De Correspondent, zich echter te hebben vertild. Hij begint met een dwaalspoor over de massapsychologie van de Franse grondlegger van deze discipline, waar ook de rest van dit dikke boek (521 pagina’s) ernstig onder lijdt. Bregman meent dat de wetenschap, de media en de publieke opinie vastzitten in een foutief mensbeeld: de mens deugt niet. 

Zelf heeft hij gelukkig onlangs een nieuw mensbeeld ontdekt: de meeste mensen deugen. De ambitieuze ondertitel van dit boek luidt niet voor niets Een nieuwe geschiedenis van de mens. Helaas, het verhaal is niet nieuw, het is geen geschiedenis en het gaat niet over de mens. 


Foto: ANP

Le Bon en de massapsychologie 

In De meeste mensen deugen: Een nieuwe geschiedenis van de mens voert Bregman al meteen op de eerste pagina de slechterik van zijn verhaal op. Die slechterik luistert ironisch genoeg naar de naam Le Bon. Het gaat om de Franse arts, socioloog en psycholoog Gustave Le Bon (1841-1931), die vooral beroemd is geworden door zijn boek Psychologie des foules (De psychologie der massa’s, 1895). 

Bregman introduceert Le Bon als ‘een van de invloedrijkste geleerden van zijn tijd’, wat Le Bon zeker niet was, zonder duidelijk te maken waaruit diens ‘invloed’ precies zou hebben bestaan. Hij volstaat met de ongeloofwaardige bewering dat Le Bons boek ‘van kaft tot kaft’ is gelezen door Hitler, Mussolini, Stalin, Churchill en ‘president Roosevelt’, waarbij hij twee Amerikaanse presidenten met elkaar verwart, Theodore Roosevelt en Franklin Delano Roosevelt. En dan geeft hij ook nog een verkeerd jaartal voor de publicatie van het boek van Le Bon. 

Bregman introduceert Le Bon als ‘een van de invloedrijkste geleerden van zijn tijd’, wat Le Bon zeker niet was, zonder duidelijk te maken waaruit diens ‘invloed’ precies zou hebben bestaan

Bregmans weergave van de theorie van Le Bon is al even ongelukkig. Hij gebruikt de situatie in Groot-Brittannië aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog als kapstok, omdat de Britse legertop vreesde dat Londen massaal gebombardeerd zou worden en dat dit zou leiden tot een ‘noodsituatie’: hysterische massa’s, totale paniek, miljoenen vluchtelingen, het Britse leger niet bij machte om dit onheil te keren.  

Collectief gedrag en noodsituaties 

Volgens Bregman verklaart Psychologie des foules precies hoe dergelijke ‘noodsituaties’ moeten worden begrepen. We zijn nog steeds op de eerste pagina van Bregmans boek, en dan schrijft hij dit: 

‘Le Bon legde haarfijn uit wat er gebeurt in noodsituaties. Vrijwel onmiddellijk, schreef hij, daalt de mens ‘een aantal treden op de ladder van de beschaving’. Dan grijpen paniek en geweld om zich heen. Dan openbaart zich onze ware natuur.’  

Tot zover het citaat uit het boek van Bregman. Maar citeren is helaas niet de best ontwikkelde gave van Bregman, want 1) hij citeert uit de Engelse, niet uit de oorspronkelijke Franse versie van het boek van Le Bon; 2) hij verknipt het citaat op een willekeurige manier; 3) hij heeft niet in de gaten dat de theorie van de massapsychologie betrekking heeft op ‘collectief gedrag’, niet op ‘noodsituaties’. 

Het mensbeeld van Le Bon is veel genuanceerder dan wat Bregman er van maakt

Daarom hier de volledige, langere passage uit het boek van Le Bon in mijn eigen vertaling: ‘Bovendien, door het enkele feit dat hij deel uitmaakt van een georganiseerde massa, daalt een mens meerdere treden op de ladder van de beschaving. Op zichzelf mag hij wellicht een gecultiveerd individu zijn, in een massa is hij een barbaar, dat wil zeggen een instinctief handelend schepsel. Hij heeft de spontaniteit, de heftigheid, de meedogenloosheid, en ook het enthousiasme en de heroïek van primitieve wezens. Op die laatsten neigt hij ook te lijken door het gemak waarmee hij zich onder de indruk laat brengen van woorden en beelden – die geen enkel effect zouden hebben op ieder van de afzonderlijke individuen die de massa vormen – en door handelingen te verrichten die in strijd zijn met zijn meest evidente eigen belangen en zijn meest bekende gewoontes. Het individu in een massa is een zandkorrel te midden van andere zandkorrels die de wind optilt naar believen.’ 


De Franse arts, socioloog en psycholoog Gustave Le Bon (1841-1931). Foto: Wikimedia

Het ongelijk van Le Bon? 

Dit is de meest geciteerde alinea uit het werk van Le Bon. Vooral de laatste zin is van een klassieke schoonheid.  

Dat Bregman uit deze alinea citeert met weglating van deze prachtige beeldspraak, vind ik een beetje treurig. Maar veel belangrijker vind ik dat hier duidelijk wordt dat Le Bon zijn vizier helemaal niet richtte op ‘noodsituaties’ (een brand in een vol theater, een bombardement van een woonwijk, een terroristische aanslag) maar op een ‘georganiseerde massa’ (als conservatieve criticus van de democratie was Le Bon geobsedeerd met de bestorming van de Bastille en andere massale acties tijdens de Franse Revolutie in de periode 1789-1793). 

Omdat de inwoners van Londen op een beheerste, flegmatieke, in sommige opzichten zelfs positieve wijze bleken te reageren op de bombardementen van de Duitse Luftwaffe, vindt Bregman dat hiermee het ongelijk van Gustave Le Bon is aangetoond: ‘Al met al had die beroemde massapsycholoog […] er niet verder naast kunnen zitten. De noodsituatie bracht niet het slechtste in mensen naar boven. Het Britse volk steeg juist een paar treden op de ladder van de beschaving.’  

Le Bon richtte zijn vizier niet op ‘noodsituaties’ (een brand in een vol theater, een bombardement van een woonwijk, een terroristische aanslag) maar op een ‘georganiseerde massa’

Maar ook deze conclusie is ongerijmd, omdat Le Bon niet beweerde dat de massa ‘het slechtste’ in mensen naar boven bracht, maar ‘het primitieve’, waaronder nota bene ook ‘enthousiasme’ en ‘heroïek’ (zie het citaat hierboven). 

Een derde dubieuze conclusie van Bregman, naast die van de noodsituatie en het bovenbrengen van het slechtste in mensen, betreft het ‘mensbeeld’ van Le Bon: ‘Hitler […] Churchill, Roosevelt… − stuk voor stuk deelden ze het mensbeeld van Gustave Le Bon, de psycholoog die had beweerd dat de menselijke beschaving maar een dun laagje is.’  

In werkelijkheid is het mensbeeld van Le Bon veel genuanceerder dan wat Bregman er hier van maakt. En toch is dit versimpelde, eendimensionale mensbeeld het centrale thema van Bregman in de ruim vijfhonderd pagina’s die volgen op zijn inleiding over Le Bon. 

Vernistheorie

Doet Bregman weinig of geen recht aan de massapsychologie van Le Bon, nog minder aandacht besteedt hij aan wat er de afgelopen 125 jaar is geschreven in het voetspoor van Psychologie des foules. In de sociologie en psychologie staat dit onderwerp bekend onder de naam van ‘collectief gedrag’.  

In die traditie zijn in de loop der tijd belangrijke studies verschenen van Sigmund Freud, Floyd Allport, Neil Smelser, William Gamson, Ralph Turner, Lewis Killian, Meredith Pugh en vele anderen. Die schrijvers vertegenwoordigen een waaier aan alternatieve theorieën, waarin veelal ook kritisch afstand wordt genomen van de ‘irrationele’ theorie van Le Bon (en Freud). 

Maar aan dat rijke gedachtegoed over collectief gedrag wijdt Bregman geen woord. In het voetspoor van zijn persiflage van Le Bon, komt hij niet verder dan de ‘vernistheorie’ van de menselijke beschaving, een term die hij ontleent aan de vooraanstaande bioloog Frans de Waal.  

De Waal baseerde zijn vernistheorie echter op onderzoek naar apen, terwijl Bregman dit klakkeloos transplanteert naar de wereld van mensen

Bregman schrijft: ‘De beschaving zou maar een dun laagje zijn, dat bij het minste of geringste zou barsten. Maar het is precies andersom: juist als de bommen uit de lucht vallen of de dijken breken, komt het beste in ons naar boven.’ De Waal baseerde zijn vernistheorie echter op onderzoek naar apen, terwijl Bregman dit klakkeloos transplanteert naar de wereld van mensen. Dat lijkt mij een wankele basis, voor welk ‘mensbeeld’ dan ook. 

Bregman beweert dat heden ten dage nagenoeg iedereen het slachtoffer is van die vernistheorie. Of het nu gaat om de wetenschap, de media of de publieke opinie, alles en iedereen is de mening toegedaan dat onder die dunne laag van de beschaving het primitieve, agressieve, zelfzuchtige oerwezen schuilgaat, uiteraard allemaal te wijten aan Le Bon.  

Bregman ziet het als zijn taak de mensheid van dit juk te bevrijden: ‘Dat mensen van nature egoïstisch, paniekerig, en agressief zijn, is een hardnekkige mythe.’ Vandaar zijn enkelvoudige boodschap: ‘De meeste mensen deugen.’ Vandaar ook zijn megalomane claim: ‘Een nieuwe geschiedenis van de mens.’ 

De deugdenethiek 

De hardnekkige mythe van Bregman lijdt echter aan een fataal euvel: het is zelf een mythe. Ik ken geen enkele serieuze denker die deze theorie aanhangt. Wie ik wel ken zijn serieuze denkers die een verklaring zoeken voor de aanwezigheid van het kwaad in de mens en in de wereld.  

Laat ik mij hier beperken tot een enkel voorbeeld: de deugdenethiek. Je zou denken dat een boek over de vraag of mensen deugen of niet, ten minste enige aandacht zou schenken aan wat de traditie van de deugdenethiek hierover te melden heeft. Maar niets is minder waar. Het boek van Bregman heeft 775 voetnoten. Een vertegenwoordiger van de deugden-ethiek kom ik daar echter niet tegen − niet Aristoteles, rond 350 voor Christus, en niet Cheryl Misak, in 2019, en met twee uitzonderingen niemand daar tussenin. Heel merkwaardig. 

Die twee uitzonderingen zijn de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt en de Amerikaans-Duitse filosofe Susan Neiman. In hoofdstuk 8 gaat Bregman uitgebreid in op Arendts boek Eichmann in Jerusalem: De banaliteit van het kwaad (1963).  

Je zou denken dat een boek over de vraag of mensen deugen of niet, ten minste enige aandacht zou schenken aan wat de traditie van de deugdenethiek hierover te melden heeft. Maar niets is minder waar

Met enkele verrassende wendingen slaagt hij er echter in de ingewikkelde (en controversiële) analyse van Arendt in zijn eigen straatje te persen. Bregman concludeert: ‘[Eichmann] deed het kwade omdat hij dacht dat het goed was.’ Dus ook die deugde! Arendt zou ervan hebben opgekeken. 

In voetnoot 46 van hoofdstuk 10 verwijst Bregman naar het boek van Neiman, Morele helderheid: Goed en kwaad in de eenentwintigste eeuw (2009). Maar met die voetnoot is iets heel vreemds aan de hand. In de tekst gaat het sowieso niet over de ethische denkbeelden van Neiman. In de voetnoot wordt zij er op een triviaal onderdeel met de haren bijgesleept. Maar het belangrijkste van alles: Bregman lijkt niet te beseffen dat het denken over goed en kwaad van Neiman (schatplichtig aan dat van Arendt) haaks staat op zijn eigen opvattingen. 


Adolf Eichmann tijdens zijn proces in Jeruzalem. Foto: Flickr

Hobbes en Rousseau 

De Britse politieke denker Thomas Hobbes (1588-1679) en de Franse politieke denker Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) komen ook prominent aan bod bij Bregman. Hij noemt deze twee ‘de oervaders van de conservatieven [Hobbes] en de progressieven [Rousseau], van de realisten [Hobbes] en de idealisten [Rousseau]’.  

Zelf denk ik dat Gustave Le Bon belangrijker is voor de strekking van zijn boek. Maar gegeven het belang dat Bregman hecht aan deze twee grondleggers van de moderne politieke filosofie, valt ook zijn inhoudelijke bespreking van Hobbes en Rousseau zwaar tegen: niet meer dan vijf pagina’s, met niet meer dan een paar van hun meest elementaire ideeën. 

Rwandese genocide 

In het laatste hoofdstuk van zijn boek komt Bregman met een bijzondere theorie over de oorlog: soldaten schieten niet; aan het front verbroederen zij: ‘het ergste geweld komt niet van dichtbij, maar van ver weg’ – van granaten, luchtbommen, raketten, drones. Gewone soldaten hebben daar weinig mee te maken, zij deugen dus, ook in oorlogen.  

Die theorie laat Bregman eerder in zijn boek zelfs los op burgeroorlogen. De grootste volkerenmoord van onze tijd vond plaats in Rwanda in 1994, toen tussen 6 april en 19 juli naar schatting 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s door Hutu-milities op gruwelijke wijzen om het leven werden gebracht. Rwanda telde in 1994 ongeveer zeven miljoen inwoners. Bregman wijdt aan deze genocide niet meer dan een voetnoot (hoofdstuk 10, voetnoot 43). 

Bregman concludeert: ‘[Eichmann] deed het kwade omdat hij dacht dat het goed was.’ Dus ook die deugde! Arendt zou ervan hebben opgekeken

In die voetnoot legt hij uit dat onze gebruikelijke opvatting over de Rwandese genocide als een van de afschuwelijkste slachtpartijen in de menselijke geschiedenis berust op een misverstand. De massavernietiging van Rwandese burgers was in werkelijkheid ‘de voltooiing van een zorgvuldig voorbereide goed georganiseerde bureaucratische campagne met gebruik van moderne massacommunicatiemiddelen, propagandatechnieken, militaire logistiek en een bestuurlijk apparaat… Het moorden zelf werd door een kleine minderheid gedaan. Naar schatting 97 procent van de Hutu’s deed niet mee.’ Met andere woorden: ook de Hutu’s deugen! 

Hier kan ik niet tegenop. Daarom sluit ik af met slechts een suggestie voor een realistischer titel voor het boek van Bregman: De meeste mensen deugen, vaak wel maar vaak ook niet.. 

 

Paul van Seters is hoogleraar globalisering en duurzame ontwikkeling aan de Universiteit van Tilburg 

Deel dit artikel