'Contra Kant' overtuigt niet

Kunnen mensen kennis hebben van het transcendente? Filosoof Rutten bindt de strijd aan met Kant, maar zijn redeneringen deugen niet.

Victor Gijsbers
Afbeelding bij ''Contra Kant' overtuigt niet'
'Contra Kant' is ambitieus maar overtuigt niet. Cover.

In zijn nieuwe boek, Contra Kant: herwonnen ruimte voor transcendentie wil Emanuel Rutten aantonen dat wij mensen kennis kunnen hebben van het transcendente, dat wil zeggen, van zaken die niet toegankelijk zijn voor de zintuigen.

Hierbij stelt Rutten zich expliciet tegenover Immanuel Kant, die in zijn beroemde Kritiek van de zuivere rede (1781) beweerde dat de enige objecten waarover wij kennis kunnen hebben, de objecten van mogelijke ervaring zijn.

Contra Kant is ambitieus. Niet alleen bespreekt Rutten de notoir ingewikkelde filosofie van Kant en probeert hij deze te weerleggen, hij ontwikkelt ook een eigen kennisleer en lost en passant een hele reeks fundamentele problemen uit de metafysica op.

Voetnoot

Rutten valt hierbij niet op valse bescheidenheid te betrappen. Hij bespreekt bijvoorbeeld enkele bekende problemen met de traditionele definitie van kennis, wijdt één korte voetnoot aan alles wat andere filosofen daar de afgelopen vijftig jaar over gezegd hebben, en concludeert dan: ‘Alléén de door mij ontwikkelde epistemologie vormt daarom een adequaat antwoord op het failliet van de traditionele kennisleer.’

Wellicht is het leven te kort voor bescheidenheid. Maar deze passage illustreert wel treffend de ongemakkelijke spagaat waarin Contra Kant zich bevindt. Aan de ene kant wil het een voor een breed publiek toegankelijk boek zijn, waarin veel subtiliteiten worden overgeslagen en waarin nauwelijks verwezen wordt naar de (vaak zeer uitgebreide) academische literatuur.

Aan de andere kant heeft het boek echter de pretentie om aan precies die academische debatten bij te dragen, ja, om die zelfs beslissend te beslechten. Dit wringt voortdurend.

Kennisbegrip

Neem bijvoorbeeld die problemen van het traditionele kennisbegrip. Deze ontstaan wanneer men exact vast wil stellen onder welke omstandigheden we wel of juist niet beschikken over empirische kennis.

Wat doet Rutten nu? Hij geeft een extreem veeleisende definitie van kennis, namelijk dat we iets alleen weten wanneer het ontkennen ervan tegelijkertijd het ontkennen van ons mens-zijn zou inhouden. Zo kunnen we volgens hem de wetten van de logica kennen, want die kunnen we niet ontkennen zonder onze hele manier van denken te ontkennen.

Los je hiermee de traditionele problemen op? In zekere zin wel, in die zin namelijk waarin je iemands likdoorns oplost wanneer je zijn voeten amputeert.

Los je hiermee de traditionele problemen op? In zekere zin wel, in die zin namelijk waarin je iemands likdoorns oplost wanneer je zijn voeten amputeert.

Hoe zit het met Ruttens kritiek op Kant? Ook hier is de inzet hoog. Na ongeveer dertig pagina’s aan de Kritiek van de zuivere rede te hebben besteed, concludeert Rutten dat Kants kennisleer ‘één omvangrijke maar onbewezen articulatie van een ongefundeerd vooroordeel’ is, en bovendien ‘innerlijk incoherent oftewel volstrekt contradictoir’. Dat zijn nogal claims.

Maar alle bezwaren die Rutten naar voren schuift, zijn in de Kant-literatuur uitgebreid besproken, en auteurs zoals Henry Allison (Kant’s Transcendental Idealism) en Sebastian Gardner (Kant and the Critique of Pure Reason) geven aan hoe we Kant zo kunnen interpreteren dat hij zich niet schuldig maakt aan evidente zelf-contradicties. Rutten gaat het gesprek deze zeer rijke literatuur in het geheel niet aan. Voor een populair boek is dat wel te begrijpen; maar voor een boek dat beweert Kant te weerleggen is het funest.

Kritische these

Waar het Rutten vooral om gaat, is Kants bewering dat onze kennis nooit voorbij objecten van mogelijke ervaring kan reiken - laten we dit de kritische these noemen. Hoe beargumenteert Kant deze these? De kennis waar het Kant om te doen is, is kennis van objecten die verder gaat dan lege kennis door middel van concepten alleen.

Dat eenhoorns één hoorn hebben weten we doordat we het concept eenhoorn begrijpen, maar dit kunnen we eigenlijk geen echte kennis van een object noemen. Immers, we weten op deze manier niet eens of er wel eenhoorns bestaan!

Voor echte kennis van een object moeten we - dit is Kants eerste fundamentele aanname - in contact treden met het object. Kants technische term voor dit contact is aanschouwing; en substantiële kennis van objecten vereist volgens hem dus altijd aanschouwing.

Aanname

Kants tweede fundamentele aanname in dit verband is dat voor ons mensen aanschouwing altijd receptief is: een object wordt ons gegeven in een ervaring. Kant suggereert dat God wellicht een ander soort aanschouwing heeft, namelijk een aanschouwing die de objecten creëert. Maar daar kunnen wij ons niet eens iets bij voorstellen. Onze aanschouwing is altijd door middel van ervaring.

En dus concludeert Kant dat de kritische these waar is: onze kennis kan nooit verder reiken dan de objecten van mogelijke ervaring.

Hij behandelt drie andere argumenten die Kant voor de kritische these gegeven zou hebben, maar minstens twee daarvan zijn door Kant helemaal niet zo bedoeld

Vreemd genoeg noemt Rutten deze gedachtegang in zijn boek nergens, zodat ook onduidelijk blijft waar hij denkt dat Kant het verkeerd heeft. Hij behandelt wel drie andere argumenten die Kant voor de kritische these gegeven zou hebben, maar minstens twee daarvan zijn door Kant helemaal niet zo bedoeld.

Zo bespreekt Rutten Kants zogenaamde transcendentale deductie, waarvan het doel is om aan te tonen dat we voorafgaand aan de ervaring kunnen weten dat bepaalde concepten op al onze ervaring van toepassing zullen zijn. Dit is een heel andere stelling dan de kritische these, en het is mij dan ook een raadsel waarom Rutten denkt dat hij de kritische these kan ontkrachten door de transcendentale deductie te weerleggen.

Definitie

Maar wellicht slaagt Rutten erin om de kritische these te weerleggen door op de proppen te komen met onweerlegbare voorbeelden van transcendente kennis? Zoals eerder gezegd definieert Rutten kennis zo dat wij iets weten dan en alleen dan als we het niet kunnen ontkennen zonder ons mens-zijn te ontkennen.

Met deze definitie op zak beslecht Rutten een hele serie aan metafysische vragen. Zo beweert hij dat we weten dat de wereld pas eindig lang bestaat. Dit oordeel ‘is beslissend gerechtvaardigd omdat ieder nadenkend mens dit oordeel wel moet geloven. De negatie van dit oordeel is voor ieder mens immers volstrekt onvoorstelbaar en zelfs totaal absurd’.

Op dezelfde wijze beweert hij dat wij als mens eenvoudigweg niet kunnen geloven dat er indeterministische causaliteit in de natuur bestaat.

Maar ik heb er zelf helemaal geen moeite mee om in indeterminisme en de oneindigheid van de tijd te geloven. En daarin ben ik niet alleen: over deze ideeën wordt al millennia gediscussieerd. Rutten kan wel zonder verdere argumentatie beweren dat iedereen het met hem eens moet zijn omdat we het tegendeel niet eens kunnen geloven… maar wie overtuig je daarmee?

Vechten met lucht

Dit is precies het soort dogmatische filosofie dat Kant met zijn kritiek probeerde te bestrijden; en waarvan hij zo mooi schreef:

‘Beide partijen vechten met lucht, en bakkeleien met hun schaduw, want ze gaan boven de natuur uit, waar niets is dat hun dogmatische greep houvast biedt. Ze kunnen vechten wat ze willen; de schaduwen die ze aan stukken slaan, groeien als de helden in het Walhalla ogenblikkelijk weer aaneen, zodat ze zich opnieuw met hun bloedeloze gevechten kunnen vermaken’.


Naar aanleiding van: Emmanuel Rutten, Contra Kant: herwonnen ruimte voor transcendentie. Uitg. KokBoekencentrum, 17,99

Victor Gijsbers universitair docent metafysica en wetenschapsfilosofie

Deel dit artikel