Samenleving

  • 9 maanden geleden
  • essay
  • Lucas Meijs
  • Afvalscheiding heeft het meeste zin als iedereen meedoet. Foto: ANP
Samenleving

Betrek de wijken bij een circulair Nederland

Nederland heeft hoge circulaire ambities op weg naar 2050. Hele gebieden moeten daarbij een sleutelrol vervullen. Daarbij is het noodzakelijk dat beleidsmakers circulariteit in een gebied uitroepen tot een ‘meent’ of ‘commons’: iets dat van ons allemaal is.  

De vraag naar schaarse grondstoffen neemt wereldwijd sterk toe en daarmee ook de druk om deze grondstoffen minder te gebruiken of meer te hergebruiken. Als antwoord heeft de rijksoverheid het ambitieuze doel van een volledig circulair Nederland in 2050 geformuleerd. 

Veel beleid wordt gemaakt op het niveau van stromen gericht op het sluiten van een kringloop, zoals bijvoorbeeld bij circulair bouwen en de bekende afvalscheiding. Maar beleid dat zich alleen richt op stromen en niet op gebieden als wijken of steden, mist een essentieel onderdeel.  

Een gebied wordt pas circulair als alle burgers, organisaties en bedrijven in het gebied netjes hun afval scheiden

Een circulaire wijk of stad zorgt ervoor dat de ‘urban commonwealth’, de gezamenlijke rijkdommen van de wijk of stad, duurzaam worden beschermd. Een stroom is maar een klein onderdeel daarvan. Maar de circulariteit van een gebied is lastig te besturen en te beheren, omdat deze wordt beïnvloed door de acties van alle individuen, maatschappelijke organisaties en bedrijven binnen het gebied.  

Een gebied wordt pas circulair als alle burgers, alle organisaties en alle bedrijven in het gebied netjes hun afval, breed gedefinieerd, scheiden. Vervolgens moeten er bedrijven in het gebied zijn die deze afvalstromen kunnen en willen omzetten tot grondstoffen voor hun productieprocessen.  

Gooit één partij roet in het eten, dan ondervindt iedereen daar de gevolgen van. In andere woorden: een simpele afvalstroom van een bedrijf lijkt op een bewoner met eigen afvalbakken die privaat verantwoordelijk is voor het succes van de scheiding. Je bent dus zelf volledig verantwoordelijk voor het resultaat. Maar als je in een flat woont dan deel je de stromen en afvalbakken met heel veel anderen en dan kan jouw perfecte scheidingswerk door het slordig gedrag van de buren ineens nutteloos worden.  

Gebiedsgericht beleid 

Net zoals de anderhalvemeterregel is circulariteit een hulpbron die tegelijkertijd van iedereen en van niemand is. Het is een moderne versie van de eeuwenoude meent (commons) en dat vraagt om een passende besturing: een beleid dat de realiteit van het gebied als beginpunt heeft. 

Gebiedsgericht beleid voor circulariteit biedt daarnaast ook andere mogelijkheden. Zo kan het beleid uitgaan van er wat lokaal aanwezig is in plaats van eerst grootschalig iets te veranderen. Dit opent de mogelijkheid om op een creatieve manier lokale stromen te verbinden, waarbij afval van de één een grondstof wordt voor de ander.  

Natuurlijk betekent denken vanuit een gebied het binnenbrengen van het perspectief van de burger als bewoner, werknemer, ondernemer, passant en anderszins.   

Burgers betrekken 

Het effectief besturen van een meent – in dit geval circulariteit – is een gedeelde verantwoordelijkheid. De traditionele oplossing voor een meent is dat deze wordt geprivatiseerd, en dus volledig de verantwoordelijkheid wordt van een individu, bedrijf, stichting of vereniging, óf dat de meent overheidseigendom wordt. Hoewel hier veel voorbeelden van zijn in de geschiedenis is dat met betrekking tot circulariteit onwenselijke en onhaalbaar.  

Onwenselijk omdat het overheidsbeleid – wat meestal gebaseerd is op een brede coalitie – vaak leidt tot grote, meeslepende, niet-concrete ambities in plaats van concrete acties in een gebied. Evenzo kiest de markt, terecht, voor de winstgevende opties die vragen om homogenisering en schaal en vaak maar enkele stromen aanpakken.  

Circulariteit is een hulpbron die tegelijkertijd van iedereen en van niemand is

Zowel de overheid als de markt brengen vaak generieke en universele oplossingen tot stand die los van het specifieke gebied, de burger en de gemeenschap staan. Verder verandert de overheid regelmatig van politieke kleur. Bedrijven kunnen daarnaast veranderen van strategie of zelfs van eigenaar.  

Het resultaat is beleid dat niet aansluit op de lokale realiteit, de wensen en mogelijkheden van het gebied. Alleen door de burger en gemeenschappen gelijkwaardig vanaf het begin te betrekken kan beleid dat een op maat gemaakte en weerbare circulariteit tot stand brengt worden geformuleerd.  

Burger moet meebeslissen 

Privatisering is daarnaast onhaalbaar omdat maximaal resultaat enkel behaald kan worden wanneer iedereen meedoet. Dit kan enkel worden bereikt door alle betrokkene partijen en burgers in al hun rollen naast verplichtingen ook het recht te geven om vanaf het prille begin gelijkwaardig mee te denken en vooral ook mee te doen.  

Dat betekent een goede vorm van meebeslissen – wat echt een tandje meer is dan gewoon burgerparticipatie in beleid –over de verdeling van de lusten en lasten, het zogenaamde verdienmodel.  

Hier telt de uitspraak van Nobelprijs laureaat Jan Tinbergen: van de verdeling komt de winst. Als de winst of opbrengst vooral bij de (grote) bedrijven terecht komt, dan is de verdeling verkeerd en loopt de circulariteit spaak. Dan gaan de burgers, in hun meerdere rollen als bewoner, stemmer, belastingbetaler, consument, werknemer, ondernemer en nog veel meer, op meerdere plaatsen op de rem staan.  

Ook voor circulariteit geldt een andere ‘gouwe ouwe’: no taxation without representation!   

Willen, kunnen en doen 

Met de huidige participatie-instrumenten kan de burger meepraten en meedenken, maar blijft hij in een ondergeschikte rol. De meentbril opent een fundamenteel nieuw perspectief.   

Participatie is dan van een andere orde dan ‘gewoon’ participatie volgens de Omgevingswet. Gemeenschappen worden dan al bij de start (al bij het formuleren van de ambities binnen een bepaald gebied) betrokken, en er is een ruimte waarbinnen alle partijen gezamenlijk plannen ontwerpen en rollen worden verdeeld met betrekking tot de uitvoering alsook het beheer van de circulariteit.  

Als de winst of opbrengst vooral bij (grote) bedrijven terechtkomt, dan is de verdeling verkeerd en loopt de circulariteit spaak

Dat is iets heel anders dan uitgenodigd worden bij een donderdagmiddagpresentatie van plannen bedacht door markt en/of overheid. Het gaat om co-creatie in gelijkwaardigheid. Voor deze participatie ‘plus plus’ moeten drie vragen worden beantwoord.  

De eerste vraag is wat er in het gebied kan, zowel fysiek als sociaal. Verrassend genoeg begint veel beleid met wat burgers, organisaties en bedrijven niet kunnen, in plaats van wat ze wel kunnen. Dit kan bijvoorbeeld met de A(asset) B(ased) C(ommunity) D(evelopment) methodiek, in Nederland ook bekend als bronmethode (een toepassing in Arnhem), en het in kaart brengen van de kennis en expertise die er binnen het gebied al voorhanden is bij individuen, civil society organisaties en bedrijven.  

Goed inzicht in de reeds bestaande infrastructuur is eveneens van belang. Want waarom herbouwen als circulaire reconfiguratie mogelijk blijkt? Of in het geval van bijvoorbeeld De Binckhort in Den Haag, een wijk met een echte circulaire doelstelling, waar er een mooie haven is die natuurlijk gebruikt moet worden.  

Organisaties 

De tweede vraag gaat over de mate van organisatie. Welke organisaties, zoals bedrijven, verenigingen, stichtingen en beginnende burgerinitiatieven, zijn actief in de wijk en hoe zit het met de vertegenwoordiging van (toekomstige) bewoners en andere gebruikers? Dit is niet meer of minder dan het in kaart brengen van de civil society en de marktpartijen. Daarmee kan gewerkt worden aan andere en nieuwe vormen van samenwerking. 

Slechts door iedereen te betrekken zal circulariteit van ons allemaal worden

De derde vraag is politieke besluitvorming in een gemeenschap. Op het eerste oog klinkt dit vreemd voor een westerse democratie waar traditiegetrouw de representatieve democratie, en zijn vertegenwoordigers, de besluiten maakt.  Maar gemeenschap gedreven verandering vindt wel degelijk plaats, met name in Afrika en Azië, en wordt in toenemende mate steeds belangrijker.  

Slechts door iedereen te betrekken zal circulariteit van ons allemaal worden. Dit betekent een significant andere rol voor gemeenschappen binnen de ontwikkeling van steden, wijken en gebieden: eentje die gelijkwaardige co-creatie garandeert. De Omgevingswet geeft daar al een goede richting voor aan, maar het zijn de steden zelf die aan zet zijn.  

Dat vereist – conform de geest van de Omgevingswet – een open blik en vertrouwen in elkaar. Het vergt een besef dat circulariteit een hulpbron is van de gehele gemeenschap. De circulaire economie zal dus van ons zijn, of ze zal niet zijn. 

 

Margot Kwee is onderzoeksmedewerker aan de Rotterdam School of Management (RSM) van de Erasmus University), Eva Heitbrink was onderzoeksmedewerker aan de RSM, Lucas Meijs is hoogleraar Strategische Filantropie en Vrijwilligerswerk aan de RSM, Tim ’S Jongers is senior adviseur bij de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS). Deze bijdrage staat los van zijn werkzaamheden bij de RVS. Dave Plug is onderzoeksmedewerker aan de RSM. 

Dit artikel is onderdeel van het onderzoek Circulaire Binckhorst, één van de projecten van ACCEZ. ACCEZ staat voor kennis met impact en versnelt de ontwikkeling van een circulaire economie in Zuid-Holland.

Lessen uit de ramp met MSC Zoe

Grote hoeveelheden plastic troep overspoelden de stranden van de Waddeneilanden in januari 2019. Wat leerden we van deze ramp?