Vrede stichten is moeilijk, maar niet zinloos

Onthullingen in de Washington Post werpen nieuw licht op vredesmissies zoals die in Afghanistan.
Mede dankzij de Nederlandse inzet in Afghanistan is de kindersterfte afgenomen en gaan meer kinderen naar school. Foto: ANP
Mede dankzij de Nederlandse inzet in Afghanistan is de kindersterfte afgenomen en gaan meer kinderen naar school. Foto: ANP
In de Nederlandse grondwet staat dat de regering de internationale rechtsorde bevordert. Dat houdt in dat zij moet bijdragen aan vrede tussen landen, aan internationale verdragen en conflictvoorkoming, aan respect voor de mensenrechten en rechtvaardige internationale verhoudingen. Het past een beetje bij Nederland: buitenlandse politiek dient de belangen van Nederland, maar gaat ook over het bijdragen aan een betere wereld. 

Ook de krijgsmacht wordt daarvoor ingezet. In het normale spraakgebruik gaat het dan om vredesmissies. Ook in Afghanistan zijn in dat kader vele jaren Nederlandse militairen ingezet: in Kaboel, in het Noorden en met name van 2006 tot 2010 in de Zuidelijke provincie Uruzgan. Dat was in het kader van de International Security Assistance Force (ISAF), waarmee de NAVO in opdracht van de Verenigde Naties Afghanistan hielp met het bestrijden van terrorisme en wederopbouw. De regering en de Tweede Kamer hebben in 2011 die laatste missie nog eens diepgaand geëvalueerd.

Voorgelogen

In Amerika is er heftige discussie over de inzet in Afghanistan. Begin deze maand onthulde de Washington Post dat het Amerikaanse publiek vele jaren is voorgelogen over wat de Amerikanen allemaal bereikt hebben in Afghanistan. De krant had de hand weten te leggen op meer dan 2000 pagina’s niet eerder gepubliceerde interviews met mensen die een directe rol hebben gespeeld in het conflict in Afghanistan – van generaals en diplomaten tot ontwikkelingswerkers en Afghaanse autoriteiten. De interviews werden gedaan door het bureau van de Special Inspector for Afghanistan Reconstruction.

Het geheel, dat vooral gaat over de fouten die zijn gemaakt, werd gebundeld en kreeg de titel Lessons learned. Die lessen zijn in zes artikelen in de periode 10 tot en met 15 december 2019 samengevat door Washington Post-journalist Craig Whitlock. Het beeld dat opdoemt uit de stukken is dat Afghanistan er, ondanks de inzet van meer dan 775.000 Amerikaanse militairen sinds 2001, alleen maar op is achteruitgegaan. En dat, terwijl in officiële uitlatingen de inzet in dat land als een succes wordt afgeschilderd.

Corruptie

Volgens de honderden vertrouwelijke interviews die in de Washington Post zijn aangehaald, zien de Amerikaanse trainers de Afghaanse veiligheidstroepen als incompetent, ongemotiveerd en vooral corrupt. Er is voor miljarden aan ontwikkelingsgeld gestopt in een land dat die instroom van dollars niet aankon. Dat leidde volgens de Washington Post tot uit de hand gelopen corruptie, waardoor onder leiding van president Karzai het land zichzelf tegen 2006 ontpopt heeft als een ware kleptocratie. De democratie wil niet aarden in een land met zichzelf verrijkende en corrupte machthebbers. Ook de productie van opium groeide zo snel dat Afghanistan nu goed is voor 82 procent van de wereldwijde opiumproductie. De enigen die op het punt van corruptie en strijd tegen opium een schone lei hebben zijn de streng religieuze Taliban. Die kunnen daardoor op groeiende sympathie van de bevolking rekenen. 

Geen strategie

Waardoor kwam dat allemaal? ,,We wisten niet wat we aan het doen waren”, zegt een van de betrokken generaals in een interview. De insteek waarmee de Amerikanen naar Afghanistan gingen, zou ook verkeerd zijn. Er was geen strategie en daardoor was het moeilijk om antwoord te vinden op heel concrete vragen: Wie is de vijand? Wie zijn onze bondgenoten? Hoe weten we wanneer we gewonnen hebben? Volgens een vroegere speciaal afgezant in Afghanistan onder de presidenten Bush en Obama vallen we, zo schrijft de Washington Post, geen arme landen binnen om ze rijk of democratisch te maken. We vallen gewelddadige landen binnen om ze vreedzaam te maken. En in dat opzicht hebben we gefaald. 

Het oorspronkelijke doel was om al-Qaida te bestrijden, maar de NAVO-landen zijn daar steeds meer van afgeweken. De Afghanen kenden een tribale samenleving, waren gewend aan communistische en later fundamentalistische regimes. Het was zinloos om te proberen van Afghanistan een democratie te maken naar Amerikaans voorbeeld, aldus de stukken in de Washington Post. Bovendien wilde ISAF binnen een korte tijdspanne resultaat zien. Maar het conflict was niet te winnen en er was geen gemakkelijke uitweg. Het land werd nooit veilig, er worden nog steeds aanslagen gepleegd en de Taliban is niet verslagen. Eerst was de Taliban de vijand. Nu, onder president Trump, is de conclusie dat er zonder de Taliban geen vrede mogelijk is. 

Hernieuwd debat

De interviews die dankzij de Washington Post openbaar zijn geworden, zullen ongetwijfeld ook in Nederland tot een hernieuwd debat leiden over de vraag of deelname aan vredesoperaties wel zin heeft. Deels zal dat debat gaan over de vraag of de Nederlandse regering, net als de Amerikaanse, de feiten veel mooier heeft voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren. Deels gaat het debat over de resultaten van vredesmissies.

Dat debat komt in een tijd waarin sowieso al een sterke roep is om het nationale belang voorop te stellen in het buitenlandse beleid. Niet alleen in Amerika is het America first. Nederland neemt deel aan vredesoperaties omdat wij worden geacht bij te dragen aan het handhaven of versterken van de internationale rechtsorde. Vaak zijn er daarbij niet direct Nederlandse belangen aan de orde. Het zijn, zoals dat heet, wars of choice: conflicten waarbij je als land kunt afwegen of je er wel of niet bij betrokken wil zijn. Dit, in tegenstelling tot wars of necessity, zoals bij een aanval op doelen in eigen land, waarbij de inzet van de krijgsmacht zonder meer noodzakelijk is. 

Vechten en opbouwen

De Nederlandse deelname aan Afghanistan ging aan de ene kant om de bestrijding van al Qaida en de Taliban en was in dat opzicht een ‘vechtmissie’. Maar zij ging ook op wederopbouw van het door oorlog, onderdrukking en armoede geteisterde land. In dat opzicht was het een ‘opbouwmissie’. Dat dubbele karakter bleek ook uit de evaluatie van 2011 van de Nederlandse betrokkenheid in de provincie Uruzgan. Er was gevochten en er was opgebouwd. Kindersterfte is afgenomen, veel meer kinderen krijgen onderwijs en de omvang van de Afghaanse economie is sindsdien vervijfvoudigd. Alleen, nog steeds is de Afghaanse overheid niet in staat om zelf veiligheid en wederopbouw op gang te brengen. 

Een Afghaans meisje zwaait terwijl Nederlandse militairen passeren. Foto: ANP

Een paar conclusies zijn nu al aan de documenten in de Washington Post te verbinden. Je moet bijvoorbeeld alleen met een heldere strategie aan een vredesmissie beginnen. Dat is al vaker bepleit, ook in Nederland. Je moet weten wat je wil bereiken en welke middelen je daarvoor wil inzetten. Vervolgens moet je er niet naar streven om van een land in wederopbouw een spiegel te maken van de eigen samenleving. Veiligheid staat voorop en van daaruit kunnen betere en eigen instituties worden opgebouwd. Duidelijk is ten slotte dat je de inzet niet aan een tijdslimiet moet verbinden. Dat Nederland in 2010 na de val van het kabinet Balkenende IV uit de provincie Uruzgan vertrok was schadelijk voor de vier jaar van opbouwwerk die eraan vooraf waren gegaan. Wederopbouw is een zaak van lange adem. Je moet je er voor langere tijd aan willen verbinden. 

Niet alleen het eigenbelang geldt

Maar er is meer. Het zou rampzalig zijn als Nederland door dit soort ervaringen een deel van zijn eigen benadering van buitenlands beleid zou opgeven. Namelijk dat buitenlands beleid niet alleen het eigenbelang dient, maar ook moet opkomen voor een betere wereld, een internationale rechtsorde. Je moet het kind niet met het badwater weggooien. 

En dan is er ten slotte nog iets, dat los staat van meetbaar materieel effect. Ieder kind dat dankzij ISAF naar school heeft kunnen gaan, iedere vrouw die op verdenking van overspel níet is gestenigd, iedere brug die wél gebruikt wordt, ieder transport van voedsel en medicamenten dat veilig is aangekomen, iedere bermbom die is ontmanteld: ze hebben allemaal zin gehad. Misschien niet in de macro-verhoudingen, maar dan toch zeker wel in de belevingswereld van de meest betrokken personen. De Afghanen aan de ene kant, de militairen en hulpverleners aan de andere kant. Dat mag in de aanloop naar Kerst ook wel eens gezegd worden.

Theo Brinkel is bijzonder hoogleraar Militair-maatschappelijke studies aan de Universiteit Leiden en Universitair Hoofddocent aan de Nederlandse Defensieacademie. Hij schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.


 


Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief