Een kapot geweten?

Getraumatiseerde militairen hebben hun geweten niet verloren, maar zijn moreel verwond. Een wezenlijk verschil.
Uitgezonden militairen kunnen het gevoel hebben dat ze tekort zijn geschoten in het voorkomen van geweld en leed in het uitzendgebied (de oud-militair uit het artikel staat niet op deze foto). Foto: ANP
Uitgezonden militairen kunnen het gevoel hebben dat ze tekort zijn geschoten in het voorkomen van geweld en leed in het uitzendgebied (de oud-militair uit het artikel staat niet op deze foto). Foto: ANP
Een oud-militair vertelde onlangs tijdens een bijeenkomst zijn indringende verhaal over een uitzending naar Afghanistan. Hij vertelde over de morele schade die hij had opgelopen door blootgesteld te worden aan fundamentele dreiging en door getuige te zijn van diep onrecht en moreel overschrijdende handelingen.
 
Deze oud-militair vertelde dat hij op de legerbasis op een gegeven moment totaal door het lint ging. Zijn kameraden konden hem slechts met de grootste moeite in toom houden om te voorkomen dat hij anderen en zichzelf ernstige schade zou berokkenen. Na zijn terugkeer in Nederland werd bij hem de diagnose Post-Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) vastgesteld. Het thema van de bijeenkomst waar hij zijn verhaal deed, was ‘het geweten’. Hij stelde ronduit: mijn geweten is kapot.

Wat is een kapot geweten?

Het verhaal maakte diepe indruk. Het riep ook een aantal vragen op die me als ethicus aan het denken zetten en die raken aan de centrale thematiek van het Moral Compass Project. Een daarvan is de vraag wat het betekent als je zegt dat je geweten kapot is. Een kapot geweten zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat ieder besef van goed en kwaad verdwenen is. Verhalen uit de oorlog duiden soms op deze vergaande betekenis, bijvoorbeeld in de ervaring dat je op de vijand schiet zonder nog enig besef te hebben van de menselijkheid van de vijand of van de goede gronden voor het gewelddadig ingrijpen waarvan je deel uitmaakt. Het geweten fungeert dan totaal niet meer als een richtinggevend moreel kompas. Er is dan geef besef meer van het goede en van het transcendente dat je een bepaalde richting geeft. Zo zou je het verhaal van deze veteraan kunnen opvatten. 
 
Toch viel me in zijn verhaal ook iets anders op, namelijk dat deze oud-militair voortdurend ook de pijn vertoonde over dat wat kapot is gegaan. Zijn geweten is kapotgegaan, maar tegelijk leek zijn geweten zich toch ook voortdurend weer aan te dienen: er is iets beschadigd geraakt dat wezenlijk is én nog steeds wezenlijk voor hem bleek te zijn. Zo gaf hij aan dat hij beslist niet nogmaals als militair op uitzending zou kunnen gaan, omdat hij het niet meer over zijn hart zou kunnen krijgen te doen wat hij daar moest doen (of wat hij juist niet kon doen). Ook vond hij zin in zijn bestaan door zijn verhaal met allerlei mensen te delen en daarmee zorg te dragen voor het welzijn van hen die iets soortgelijks hebben meegemaakt of kunnen meemaken.

De aanklagende stem van het geweten

Dat alles lijkt erop te wijzen dat zijn geweten niet totaal is vernietigd, maar hem juist voortdurend een bepaalde richting wijst naar wat nu voor hem waardevol is om te doen of niet te doen. Nog steeds fungeert bij hem op een of andere manier de maatstaf van het goede. In theologische termen wordt dit de aanklagende stem van het geweten genoemd: de schuldgevoelens zijn een zaak van het geweten en de ervaring van schuld veronderstelt daarbij het goede als maatstaf. 
 
Ik vat de uitspraak ‘mijn geweten is kapot’ daarom niet op als de vernietiging van het geweten, maar als een ernstige overschrijding van wat, juist omdat het overschreden is, onvervreemdbaar van waarde is: het moreel goede. Het feit dat je eraan lijdt dat wat moreel goed is geschonden is, wijst erop dat het nog steeds van kracht is. We kunnen dit aanduiden met een term die sinds enige tijd in zwang is: moral injury, ‘morele verwonding’. Dit begrip benoemt iets waaraan PTSS geen recht kan doen, namelijk gewetensconflicten als gevolg van moreel problematische handelingen of ervaringen in oorlogsomstandigheden. PTSS is namelijk een ziektebeeld en vat de betrokken militair vooral op als patiënt die zorg nodig heeft. Moral injury daarentegen verwijst naar gevoelens van schuld, schaamte en boosheid over eigen of andermans handelingen die in strijd zijn met diepe morele waarden. Ook uitgezonden Nederlandse militairen kunnen moral injury ervaren. Dat gaat bij hen vooral terug op het gevoel tekort te zijn geschoten in het voorkomen van geweld tegen en leed onder kwetsbare burgers en vluchtelingen in het uitzendgebied, zoals dat ook het geval is in het verhaal van de veteraan dat ik aanhaalde.

De taal van ziekte voldoet niet

Het begrip moral injury is ontwikkeld door psychiaters die met veteranen werkten en ontdekten dat de taal van ziekte, behandeling en genezing onvoldoende recht doet aan de problematiek waarmee hun patiënten worstelen. Die problematiek is namelijk moreel van aard en geen aandoening of ziekte. In hun benaderingen wijzen deze psychiaters er ook op dat de schuld- en schaamtegevoelens, de woede en de pijn er allemaal op duiden dat er bij deze patiënten juist een sterk besef is van het goede. Er is schaamte en er is schuldgevoel omdat ze zich er geheel bewust van zijn dat er een morele grens is overschreden, al dan niet door eigen handelen. En er is boosheid omdat de politiek, de samenleving of de militaire leiders hen in een dergelijke moreel grensoverschrijdende situatie hebben gebracht. Wie hieraan lijdt, is dus uiterst gewetensvol. Daar ligt dan ook de sleutel tot ‘herstel’, al zal de wond niet zomaar en misschien wel nooit helemaal helen. 
 
De vraag is nu wat de aard is van het goede waarnaar het geweten verwijst. Het valt me op dat er in behandelmethoden een neiging is om het probleem van moral injury vooral als een probleem van de individuele militair te zien.  Er is morele schade en deze heeft betrekking op de eigen morele overtuigingen en opvattingen die geschonden zijn. Deze insteek komt allicht voort uit respect voor het unieke van ieder verhaal en uit een besef van morele pluraliteit: de morele overtuigingen en opvattingen van de een hoeven niet die van de ander te zijn. En is ook het geweten niet een uiterst individuele aangelegenheid? 

Meer dan een individueel probleem

Toch is het naar mijn idee om meerdere redenen onjuist om te denken dat het bij deze morele wonden vooral om een individueel probleem gaat. Ten eerste hangt moral injury samen met het handelen in een specifieke context, namelijk als militair op uitzending, die daar in een specifieke rol is. Het militaire handelen is geheel ingebed in een hiërarchisch geordende bevelstructuur. Moral injury is daarom meer dan een individueel probleem van individuele militairen. Het hangt samen met wat van hogerhand van hen gevergd wordt. Dat is niet beperkt tot de militaire leiding, maar omvat ook de politieke gemeenschap die de militairen op missie stuurt, of deze nu nationaal of internationaal van aard is. Deze missie is tot stand gekomen omdat deze moreel gerechtvaardigd en noodzakelijk geacht werd. Kortom, een idee van het goede en juiste is vanaf het begin als grond voor de inzet aanwezig en speelt dus altijd mee als er sprake is van morele beschadiging bij militairen.  

Aantasting van een overstijgende moraal

Ten tweede gaat het niet om beschadiging van willekeurige morele overtuigingen - welke dat ook maar mogen zijn - maar om wat algemeen als goed geldt, zoals menselijke waardigheid, of fundamentele mensenrechten die door de lokale bevolking, door de vijand of door eigen handelen of het nalaten van handelingen, worden geschonden. De gewetensconflicten die met moral injury gegeven zijn, zijn daarom niet maar een persoonlijk moreel probleem, maar hebben betrekking op de aantasting van een overstijgende moraal. Een gedeeld begrip van wat als moreel goed en rechtvaardig geldt, staat hier op het spel. 
 
Ten slotte, is ook het geweten geen louter individuele zaak. Wat in het geweten opspeelt, is meer dan een persoonlijk gevoel. Het speelt juist zo op omdat het goede in het geding is. Tegelijk dient het goede, en in dit geval vooral de aantasting ervan, zich in het geweten juist uiterst concreet aan. Het is de concrete morele ervaring van een grens die hier en nu en in deze concrete vorm wordt overschreden, die zo aan het geweten knaagt. Tegelijk toont zich precies in die uiterst concrete en persoonlijke ervaring een algemene morele grens. Dat betekent dat hoe persoonlijk en individueel de gewetensvragen ook zijn, ze tegelijk verwijzen naar iets dat boven-individueel is. 

Het goede blijft maatstaf

Bij dat overstijgende karakter van het goede ligt ook de sleutel tot een vorm van herstel van het kapotte geweten. Al kan het gewetensoordeel over het eigen tekort je tot wanhoop brengen, omdat het kwaad niet meer te keren is, het kan ook leiden tot het besef dat het goede zich van buitenaf desondanks aandient en dat het ook buiten jouw geweten nog steeds bestaat. Het theologische woord daarvoor is genade. Of je nu het goede zonder transcendentie opvat of dat het verwijst naar een goddelijke bron, in beide gevallen geldt dat het aanklagende, kapotte geweten op een of andere manier het goede als maatstaf blijft veronderstellen. Anders was er niets om je schuldig over te voelen, je voor te schamen of boos over te zijn. Dat betekent ook dat het goede niet kapot te krijgen is. 
 
Pieter Vos is bijzonder hoogleraar protestantse geestelijke verzorging bij de krijgsmacht en universitair hoofddocent ethiek aan de Protestantse Theologische universiteit. Hij maakt deel uit van het Moral Compass Project

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief