Criminaliteit verdient geen privacy

Zit privacy de opsporing van ondermijnende criminaliteit in de weg? Dat kan Nederland zich niet veroorloven.
Volgens korpschef Erik Akerboom heeft de politie grote problemen. Er is veel betere gegevensuitwisseling nodig in de financiële internationale opsporing die nodig is voor de aanpak van zware ondermijnende criminaliteit. Ook burgemeesters vragen om een wettelijke basis voor gegevensuitwisseling. Zo klaagde burgemeester Aboutaleb erover dat hij gegevens over een naar Groningen vertrokken ondermijner niet mag delen met de burgemeester van Groningen. De Algemene Verordening Gegevensbescherming zou dat verhinderen. 

Dit zijn ernstige zorgen. Het lukt onvoldoende grip te krijgen op zeer professioneel en transnationaal opererende criminele organisaties. Slechts door koppeling en analyse van data die beschikbaar zijn bij verschillende instanties, nationaal en internationaal, kan zicht worden gekregen op sleutelfiguren in zulke organisaties. Al voordat sprake is van een concrete verdenking moeten bij private partijen gegevens kunnen worden opgevraagd om personen die betrokken zijn bij zware georganiseerde criminaliteit in beeld te krijgen. 

Bijvoorbeeld wanneer het de politie opvalt dat in de omgeving van XTC-producenten significant meer autoverhuurbedrijven zitten (voorbeeld uit interview Akerboom). Of om grip te krijgen op ingewikkelde transnationale geldstromen door het koppelen en analyseren van bankgegevens over (internationale) betalingen. 
Data-gedreven onderzoek wordt steeds meer hét middel om - vaak internationaal opererende - criminele organisaties te kunnen opsporen.

Staat de privacywetgeving hier nu daadwerkelijk aan in de weg? De mogelijkheden zijn enorm, maar de privacyregelgeving is zo complex dat men zich onzeker voelt. Voor opsporing van zware criminaliteit gelden weer andere regels dan voor informatieverstrekkingen tussen private partijen onderling. 
Heldere kaders zouden helpen. Het wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden en de voorgenomen integratie van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens zijn een belangrijke eerste stap. 

Maar er is meer nodig. De bestrijding van zulke criminaliteit verandert de opsporing fundamenteel. Met slimme dataverwerking probeert de politie zware criminele organisaties in het vizier te krijgen. De mogelijkheden ervan lopen steeds tegen de grenzen van traditionele juridische kaders aan. Bescherming van de privacy wordt tot nu toe eenzijdig bezien vanuit de criteria voor het toepassen van opsporingsbevoegdheden. 

Ik bepleit niet om de bescherming van privacy te laten vallen, maar wel om een ander startpunt te kiezen: een regeling van de situaties waarin het geoorloofd is dat data worden verkregen, gekoppeld en geanalyseerd. Dat vraagt erom te denken buiten traditionele kaders van strafrecht, bestuursrecht en privaatrecht. Hier ligt een taak voor de wetgever, zodat een antwoord kan worden gegeven op de soms extreme gewelddadigheid van als multinationals opererende criminele organisaties. 

Marianne Hirsch Ballin is hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij schrijft deze maandelijkse column bij toerbeurt samen met haar vader, oud-minister Ernst Hirsch Ballin.

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief