De mooiste non-profitsector ter wereld

De verzuiling is voorbij en maar weinig mensen rouwen daarom. Maar de erfenis van de verzuiling is het behouden waard!
Het Nederlandse onderwijs staat in de top 10. Maar wat is eigenlijk goed? Meester Frank is onderwijzer van het jaar geworden. Foto ANP
Het Nederlandse onderwijs staat in de top 10. Maar wat is eigenlijk goed? Meester Frank is onderwijzer van het jaar geworden. Foto ANP
De verzuiling is voorbij. Gelukkig maar! Maar de erfenis van de verzuiling is de mooiste non-profitsector ter wereld. Die heeft onderhoud nodig: naast (politiek) beleid en professionele expertise ook sociale en levensbeschouwelijke inspiratie. Wanneer zorgen we echt goed voor elkaar? Die vraag - die binnen de zuilen wél aan de orde was - staat nu maar zuinig op de agenda. 

Nederland heeft een uniek stelsel voor uitvoering van de publieke of maatschappelijke taak: onderwijs, zorg, wonen, media en cultuur zijn opgedragen aan duizenden stichtingen (en enkele verenigingen). Deze stichtingen - het zogenaamde middenveld - hebben maatschappelijk draagvlak. 

Dat is opvallend want het betreft rechtspersonen die van niemand zijn (geen leden of aandeelhouders) en die zichzelf door coöptatie benoemen. Ongekozen, zonder eigendom en in beginsel zonder checks and balances ontvangen deze stichtingen geld (of middelen) van de overheid om de maatschappelijke taak uit te voeren. Uit deze beschrijving blijkt al het enorme vertrouwen in dit stelsel: geen ander land ter wereld heeft hiervoor gekozen of zou hierover piekeren. In Nederland gaat het ook wel eens mis, maar het stelsel op zichzelf lijkt onaangetast. 

Verzuiling

Die instellingen komen voort uit de Nederlandse geschiedenis van verzuiling waarbij iedere zuil een eigen regionale of lokale infrastructuur had en waarbinnen de verschillende bevolkingsgroepen zich ‘in eigen kring’ konden ontwikkelen. Decennia lang heeft de overheid in hoge mate de dienstverlening bepaald: dat wordt langzamerhand weer anders. Tegenwoordig komen professionals weer beter in beeld bij de vraag hoe we diensten in onderwijs, zorg en wonen verlenen. 

In passend onderwijs ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de professionals, in de nieuwe zorgarrangement gaat het om een betere aansluiting tussen tussen zorgverlener en cliënt, de wijkteams zijn voorbeelden van professionele zelfstandigheid, zoals ook bij de zogenaamde ‘zelfsturende teams’. Maar beantwoording van de vraag of wij het echt goed doen, heeft meer dimensies.

Wij doen het goed in de internationale kwaliteits-benchmarks: heel erg goed. Natuurlijk zijn er grote problemen bij de ggz, de jeugdzorg en de woningnood is groot. Maar toch: Nederland heeft de een van de mooiste volkshuisvestingssectoren ter wereld volgens de EU/Europe Housing en by far verhoudingsgewijs de grootste. 

De European Health Consumer Index vermeldt Nederland als land met de beste gezondheidszorg ter wereld. En ja, ook het onderwijs is volgens de OESO op alle sectoren nog vertegenwoordigd in de top 10, met de gelukkigste jeugd en de grootste tevredenheid over het bestaan in maatschappelijke zin. Zo beschouwd laat het stelsel - in samenhang met overheidsregulering en de inzet van het bedrijfsleven zoals verzekeraars - dus een uitstekend resultaat zien. 

Wat is goed?

Maar klopt dat wel? Weten we eigenlijk zelf wel wanneer wij vinden dat het goed gaat? Wat maakt een school een goede school? Is dat anders in Rotterdam-Zuid of in Bilthoven-Noord? Zijn dat examencijfers, ontplooiingskansen, sociale en artistieke vaardigheden? En op welk niveau is dat dan goed? Is goede thuiszorg naast de verzorging ook het persoonlijke gesprek? En waarom dan? En hoeveel? Is volkshuisvestelijk wonen ook fijn wonen? 

De discussie gaat dan niet alleen over de harde output van de examenresultaten van die organisaties  - die men in verschillende regio’s ook nog verschillend kan wegen - maar ook over de drijfveren van organisaties, die zich vertalen in de eigen beoogde maatschappelijk impact. Waarom kiezen organisaties voor een bepaalde impact? Doen we het maximale in de maatschappelijke taak die we hebben (uiteraard gegeven de beperkingen van middelen) en hoe doen we dat dan?

Overheid bepaalt niet meer

De overheid heeft in de wederopbouwtijd veel bevoegdheden van lokale instellingen afgenomen en aan de (centrale) overheid opgedragen. Daarmee verdwenen verschillen tussen instellingen, ontstond een algemene acceptatieplicht, een (denominatief) neutraler speelveld en een hoger en meer gelijk voorzieningenniveau. De instellingen bleven als institutionele infrastructuur wel bestaan maar de ministeries bepaalden in hoge mate wat er gebeurde. 

Zo bepaalde het ministerie van Onderwijs aan de hand van de beroemde LONDO-normering zelfs de afschrijving van de gordijnen van alle individuele basisscholen in het land. Het voorzieningenniveau van de ene school moest zo min mogelijk afwijken van de andere. Een dergelijk gedetailleerde bemoeienis en ‘gelijkheidsdenken’ van de centrale overheid kunnen we ons nu niet meer voorstellen. 

Na de jaren tachtig - met de grote operaties van de kabinetten-Lubbers - heeft er een stelselmatige decentralisatie plaatsgevonden van bevoegdheden van centraal niveau naar decentraal niveau: gemeenten, schoolbesturen, corporaties en zorginstellingen. Het beheer en beleid van scholen is aan besturen opgedragen, de aanpak van wijken en het bouwen en verhuren van woningen aan zelfstandige corporaties. 

Zorgbestuurders bepalen de aansluiting met de lokale of regionale zorgvraag. De gemeente is versterkt door bevoegdheden op gebied van uitkeringen, maatschappelijke werk, jeugdzorg en tal van andere taken, die vervolgens weer worden gecontracteerd met professionele organisaties die de taken zelfstandig uitvoeren. 

De overheid gaat niet meer over de gordijnen omdat de declaratiesystemen zijn vervangen door lumpsum-financiering, waardoor eigen vermogen ontstond en de verantwoordelijkheid voor de continuïteit aan de stichtingsbesturen werd opgedragen. De inspectie hanteert niet alleen meer een landelijk normenkader maar bespreekt met de onderwijsbestuurders met name de eigen visie en strategie op het eigen onderwijs. 

Vastgoed, arbeidsvoorwaarden, lessentabellen, materiële normering zijn allemaal gedecentraliseerd. Deze decentralisatie, heeft zich sinds de bruteringsoperatie ook voorgedaan bij de woningcorporaties en voltrekt zich ook al decennia in de zorg, al dan niet onder de noemer van de marktwerking (met hetzelfde effect). Kortom, allerlei taken worden decentraal verricht in een grotere vrijheid dan voorheen gebruikelijk was in de tijden van de centrale verzorgingsstaat. 

Nu ruimte voor de waarden

De decentralisatie betekent dus ruimte voor beleid op decentraal niveau: een eigen beeld van de samenleving, een prioritering in de eigen context en een strategie en uitvoering die daarbij past. De bewegingsvrijheid van besturen in het middenveld is ruimer geworden. Na jaren van forse bezuinigingen is het de laatste jaren ook op financieel vlak (even) relatief rustig. 

Toezichthouders  geven aan - onder andere in bladen als Goed Bestuur & Toezicht - dat ook de onderwerpen op de agenda aan het veranderen zijn: we spreken weer over de bedoeling van de organisaties, de waarden van het maatschappelijke beleid, de impact van het handelen. Grote ombuigingen, reorganisaties, herstructureringen en andere organisatiezaken zijn meer naar de achtergrond verdwenen. 

Er is enige ruimte gekomen om weer over de inhoud te spreken: verbetering van het onderwijs, nieuwe zorgarrangementen en modellen, versterking van de wijken waar dat nodig is. De vereniging van grootstedelijke corporaties - De Vernieuwde Stad - agendeert het onderwerp van de ‘inclusieve samenleving’. 

Drijfveren

En dan komt de vraag hoe we dat doen. Bij de beantwoording van die vraag raken wij zelden onze drijfveren en achterliggende overtuigingen. Overtuigingen die in de verzuilde samenleving bepalend leken. Vanuit welke invalshoek kijken we naar de wereld en bepalen we onze strategie? Wat bepaalt onze bril als we ‘de bedoeling’ weer centraler zetten dat de regelgeving? 

De bestuurders van het Elisabeth Gasthuis te Tilburg wilden het liefste ziekenhuis in Nederland worden omdat er naast de formats en de specialisten nog een drijfveer van deze organisaties van belang is: menselijkheid. Wie streeft er naar een rechtvaardige stad? Hoe vertalen wij de gastvrije samenleving voor migranten? Met welke bril kijken we naar veiligheid, jeugdzorg, woningbouw, stadsvernieuwing, onderwijs enzovoorts? 

De bril van de overheid zegt ons niet zo veel. Een samenhangende visie op een regio of stad zal niet van de rijksoverheid komen en dat is maar goed ook omdat de diversiteit van de problematiek veel te groot is voor wéér een landelijke uniforme aanpak. Helaas is de overheid op lokaal niveau niet altijd in staat om een echt integrale visie op de toekomst van de stad te formuleren die verder gaat dan een jaar of vier. Er lijkt niemand verantwoordelijk voor de regio. 

Professionals

Een andere bril is die van de professionals: docenten, artsen, wijkteams en vele anderen. Maar professionals vormen ook maar een deel van het verhaal: het is de rationele component van hoogopgeleiden die voor een probleem een professionele analyse maken en een professionele oplossing of genezing zoeken. Professionals zijn daarbij veel gericht op de cases, de mensen en individuele situaties. En terecht. 

Maar wie maakt van Amsterdam de lieve stad van Eberhard van der Laan? Van Arnhem de genoeglijkste? Wie kijkt er met compassie naar de volksgezondheid in een regio? Wie zorgt voor de eenzamen, bijvoorbeeld bij de achterblijvers in de krimpgebieden? Wat is fijn of prettig wonen: welke corporatie kijkt naar de eigen drijfveren en benadert vanuit die opstelling moeilijke wijken? 

Kortom, hoe organiseren wij het strategische waardendebat van waaruit drijfveren de maatschappelijke meerwaarde van de dienstverlening bepalen? In welke rolverdeling zitten raad van toezicht, bestuur, brancheorganisaties, cliëntenvertegenwoordiging en medezeggenschap?

Unieke tijd

Het unieke middenveld en deze tijd leveren een unieke mogelijkheid om dit gesprek aan te gaan. Dit gesprek hoort bij het middenveld dat immers vanuit levensbeschouwelijke bronnen is ontstaan. Door jaren van overheidsbemoeienis en een soms te sterke professionele benadering zijn deze vragen op de achtergrond geraakt. En dat terwijl deze vragen welhaast automatisch draagvlak hebben: maatschappelijke vraagstellingen zijn immers nooit waardenvrij! Vanuit welke maatschappelijke of levensbeschouwelijke inspiratie kijken we naar de taken die er liggen? 

Het middenveld heeft juist in deze periode behoefte aan inspiratie: aan onderhoud. Van allerlei kanten en stromingen. Ter vervanging van de overheidsformats en ter aanvulling van de professionals. Zet dat maar eens op de agenda: doen we het goede, doen we dat écht goed en waarom vindt je dat?

Goos Minderman is hoogleraar Public Governance, tot 2017 bij de VU en sinds 2012 In Stellenbosch en enkele andere universiteiten in Nederland en het buitenland. Hij is voorzitter van The Midfield, een denktank voor governance in het middenveld.




Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief