Toegevoegde waarden in de economie

De econoom van de 21ste eeuw kijkt niet alleen naar geld en nut, maar heeft een breder mensbeeld nodig.
Ons (economische) gedrag hangt mede af van onze sociale omgeving en de mensen met wie we ons identificeren. Foto: ANP
Ons (economische) gedrag hangt mede af van onze sociale omgeving en de mensen met wie we ons identificeren. Foto: ANP
Van waarden krijg ik jeuk”, reageerde een promovenda toen ik haar vertelde van de nieuwe leerstoel van Lans Bovenberg aan de Erasmus Universiteit voor Relational Economics, Values and Leadership, en het programma voor waardenbewust leiderschap dat we daar samen ontwikkelen, onder de naam [Re]Value. In haar onderzoek naar het bestuur van organisaties komt ze te veel tegen dat vrome waarden worden beleden terwijl een heel andere, vaak onuitgesproken, dynamiek de besluitvorming bepaalt.

Economie als de studie van samenwerking

Ook voor economen is het begrip ‘waarden’ lastig. Mensen zeggen wel dat ze dierenwelzijn belangrijk vinden, maar ze kopen toch de kiloknaller. Economen gebruiken daarom liever het begrip ‘nut’, uitgedrukt in de prijs die men bereid is daarvoor te betalen. Een hulpmiddel bij de economie is daarom de aanname dat de economisch handelende mens, de homo economicus, een rationeel wezen is, dat handelt in het welbegrepen eigenbelang en zo het nut van de te maken keuzes maximaliseert. Dat is zelfs de motor van waardecreatie in een goed geordende kapitalistische samenleving: als je de mensen de vrijheid geeft hun eigenbelang na te streven zonder ze de kans te geven om anderen te beroven of in hun vrijheid te beperken, zijn ze gemotiveerd om zich in te zetten voor de dingen waar ze goed in zijn en waar anderen hen voor willen betalen. Zo dienen de slager en de smid de samenleving als vanzelf door hun eigenbelang na te streven. 

Het wordt nog lastiger als je een organisatie leidt en merkt dat veel cliënten, medewerkers en andere belanghebbenden zich maar ten dele laten leiden door financieel meetbare aspecten. Sterker nog, wie de extrinsieke economische prikkels centraal stelt, komt vaak van een koude kermis thuis. De econoom Samuel Bowles observeerde hoe sociaal gedrag juist ondergraven kan worden door het gebruik van financiële prikkels, zoals bleek uit een studie van het ophalen van kinderen op kinderdagverblijven. Toen er een boete ingesteld werd op het te laat ophalen, kwamen meer ouders te laat dan daarvoor. Ze betaalden er immers voor? 

Uiteraard is dat geen nieuws. Adam Smith, de vader van de moderne economische wetenschap, was moraalfilosoof. In zijn Theory of Moral Sentiments (1759) argumenteert hij dat ons geweten zich ontwikkelt door de relaties van mensen onderling waarin ze een mutual sympathy of sentiments nastreven. Binnen de kaders van dergelijke morele sentimenten werken economische vrijheid en het nastreven van het eigenbelang positief uit voor zowel de individuen die zich kunnen toeleggen op wat hen echt motiveert als voor de samenleving als geheel.

Bovenberg benadrukt daarom dat economie een relationele wetenschap is, die onderzoekt hoe mensen beter samenwerken. Het is daarom pijnlijk dat juist de studie economie mensen minder coöperatief lijkt te maken, zoals Adam Grant schreef. In zijn inaugurele rede aan de Erasmus Universiteit op 1 november 2019 wil Bovenberg laten zien hoe economie nieuwe stappen voorwaarts kan zetten op basis van een breder mensbeeld en het bredere waarde(n)begrip dat daaruit voortvloeit. Dat moet ook leiden tot het opleiden van betere bedrijfseconomen die het leiderschap van organisaties gaan ondersteunen en versterken. 

Een breder waardenbegrip

Maar wat is dan dat bredere waardenbegrip in dit perspectief? Het kan natuurlijk niet gaan om het lijstje sociaal gewenste uitspraken in het jaarverslag of op de website. Het kan ook niet eenvoudigweg een optelsom zijn van wat mensen invullen bij wereldwijde enquêtes of persoonlijkheidstesten. Het moet gaan om daadwerkelijk toetsbare concepten die de motieven van mensen, individuen en groepen beter verklaren. 

Pijn en genot: het ik-motief
Aristoteles zag al dat dieren zich van planten vooral onderscheiden door de mogelijkheid zichzelf in een gewenste richting voort te bewegen; ze hebben motiliteit. Voor dat simpele feit hebben ze niet alleen een bewegingsapparaat en een vorm van perceptie nodig, maar ook een innerlijke aandrang en een waardering voor de waargenomen omgevingen. Daarom bewegen we ons weg van gevaar – omgevingen en actoren die we associëren met pijn – en keren we ons toe naar omgevingen en actoren die we associëren met genot. Onze neurobiologie is ontwikkeld om dat zó te doen dat de kans op gezondheid en levend nageslacht maximaal is. Wij zijn mooi en begerenswaardig gaan vinden wat daarmee samenhangt. 

Voor economen is het relevant om te zien dat het beloningscircuit in onze hersenen daarbij niet alleen door de consumptie zelf maar ook en vooral geactiveerd wordt door de verwachting en het gedrag dat ons dichterbij het gewaardeerde brengt. 

Trots en schaamte: het wij/zij-motief
Als mensen zijn we ook sociale dieren die voor ons overleven van elkaar afhankelijk zijn, zoals een wolventroep of mierenkolonie. Nageslacht dat grootgebracht wordt in een succesvolle groep heeft meer kans op het verder doorgeven van onze genen. Daarom reguleren we ons gedrag in het belang van het succes van de groep en onze plek daarbinnen. Onze angsten, genegenheden en verlangens betreffen niet alleen ons individuele bestaan of nageslacht, maar de hele groep waarmee we ons identificeren. We waarderen individuen die zich ook voor de groep inzetten en corrigeren individuen die niet aan het groepsbelang bijdragen – vandaar onze hang naar wederkerigheid. We hebben het belang van de groep tot ons eigenbelang gemaakt en bestrijden degenen die we als bedreiging voor onze groep zien (het wij/zij-denken). Primatoloog Frans de Waal stelt dan ook terecht dat we onze sociale waarden delen met andere sociale dieren. 

Voor economen is het relevant om te zien hoe onze preferenties samenhangen met onze sociale omgeving, de groepen waar we ons mee identificeren en de omstandigheden waaronder die overlappende identiteiten geactiveerd worden en ons gedrag beïnvloeden.

Verbeelding en betekenis: het ideële motief
In het bijzonder kenmerken mensen zich door het vermogen om dingen te zien en te communiceren die er (nog) niet zijn of die alleen maar bestaan in onze gedeelde gezamenlijke verbeelding, zoals spelregels en organisaties (Yuval Harari spreekt in zijn boek Sapiens van ‘intersubjectieve werkelijkheden’). We zijn bereid om te investeren in de oogst van volgend jaar, om nieuwe gebieden te exploreren in het vertrouwen er iets van waarde te ontdekken. We maken kleding en hulpmiddelen om in nieuwe omgevingen te overleven en we zijn bereid om jaren te studeren in het vertrouwen dat er dan iemand gebruik zal maken van onze expertise. We veranderen ons gedrag, onze omgeving en zelfs onze eigen vaardigheden waardoor ons nageslacht, onze groep, of zelfs de mensheid als geheel in de toekomst verder kan. Door onze opvoeding, training en cultuur leren we onze emoties en gedragingen te reguleren om in de wereld van onze verbeelding te floreren en de objectieve wereld daarmee in overeenstemming te brengen. En nog steeds is ons beloningscircuit erop gericht op gedrag te bevorderen dat ons helpt op weg naar dat waarnaar we verlangen. Ik denk dat de ervaring van waarheid, zin of betekenis daarom ook minder gekoppeld is aan feiten of ons directe eigenbelang, maar aan het diepe gevoel dat er overeenstemming komt tussen onze (inter)subjectieve en objectieve werkelijkheid en dat we deel uitmaken van een groter geheel. 

Voor economen is het relevant dat dergelijke intersubjectieve werkelijkheden mensen in staat stellen om samen te werken in steeds grotere groepen (zoals in multinationals) en met mensen die we niet persoonlijk kennen. Ook economische instituties, zoals geld, eigendomsrechten, of een organisatie als rechtspersoon, zijn deel van een intersubjectieve werkelijkheid. Als we willen groeien naar een duurzame en menswaardige economie, waarbij onze planeet blijft floreren, dan hebben we de gezamenlijke verhalen en concepten nodig die ons in staat stellen om dit te realiseren. 

Op weg naar een breder mensbeeld

In plaats van de rationele homo economicus komen we zo tot een iets breder model waarvan we hopen dat het ons beter helpt menselijk gedrag te onderzoeken en te modelleren. Het is een driedelig mensbeeld, gebaseerd op onze overeenkomsten met dieren in het algemeen, met sociale dieren in het bijzonder en op de menselijke verbeeldingskracht. Wie zo naar de mens kijkt, ziet (1) dat onze keuzes gebaseerd zijn op angsten en verlangens; (2) dat we verlangen naar datgene wat we waarderen en (3) dat we ten diepste waarderen wat ons als individu, als groep en als deel van die grotere ‘intersubjectieve werkelijkheid’ doet floreren. We denken dat onze waarden diep in onze genen, persoonlijkheid en cultuur zijn ingebed, waarbij we ten diepste liefhebben wat voorgaande generaties heeft doen slagen in steeds nieuwe omstandigheden, zij het dat de prioriteiten per persoon, groep en cultuur verschillen en afhankelijk van context, dynamiek en eigen ervaringen meer of minder invloed uitoefenen op ons gedrag. 

Zo’n driedelig model doet denken aan de mensbeelden die we kennen uit de klassieke filosofie en de grote wereldgodsdiensten: de mens als lichaam, ziel en geest, het verlangen naar het schone, het goede en het ware en de liefde voor jezelf, de naaste en God boven al. We geloven daarom dat we voor het onderzoek naar de invloed van waarden op gedrag aanknopingspunten kunnen vinden in zowel de geesteswetenschappen als de neurobiologie en de evolutionaire psychologie. Bottom-up en top-down, zogezegd.

U vindt het nog te vaag? Wij ook. We zitten nog vol vragen. Maar we zien dat tal van wetenschappen op dit moment grote stappen voorwaarts zetten en ons de komende jaren verder kunnen brengen.

Waardenbewust leiderschap

Kan dit bredere mensbeeld economen ook helpen om organisaties beter te (helpen) leiden? Omdat de mens een sociaal wezen is, is leiderschap in onze opvatting niets anders dan het in de gewenste richting doen bewegen van een groep mensen, naar een gedeelde visie van de toekomst (een intersubjectieve werkelijkheid). Echt leiderschap is dan ook niet het werk van maar één persoon, maar de optelsom van de investeringen van meerdere mensen om die visie te scheppen en dichterbij te brengen. Daarbij is emotionele intelligentie nodig, waarbij we elkaars persoonlijke waarden onderkennen en de ruimte geven. Dat was immers de visie van Adam Smith op economische vrijheid en waardecreatie: dat mensen vanuit hun eigen motivatie als vanzelf bijdragen aan het belang van het grotere geheel. 

Dat is niet alleen een verhaal voor de politieke en maatschappelijke leiders. Ook binnen onze arbeidsorganisaties kunnen we steeds minder op standaardsituaties met vaste instructies en extrinsieke prikkels (straf en beloning) vertrouwen. Amy Edmondson onderzocht teams in kennisintensieve organisaties en beschreef haar bevindingen in The Fearless Organization.  Tot haar verrassing ontdekte ze dat succesvolle teams niet minder maar juist meer fouten maakten, of althans rapporteerden. Het verschil is dat deze teams zich veilig genoeg voelen om te leren van hun fouten zodat ze kunnen innoveren en groeien. Onze economie is steeds meer afhankelijk van kennis en creativiteit, en van samenwerking over organisatiegrenzen heen. Angst, stress en de daarmee gestimuleerde focus op het eigenbelang op korte termijn zijn daarbij niet behulpzaam. Een gedeelde en uitdagende visie, een veilig werkklimaat, emotionele intelligentie en intrinsieke motivatie, lijken daarom cruciale ingrediënten te zijn voor duurzaam succesvolle organisaties in de 21ste eeuw. 

Op dit moment werken we met bedrijven aan het ontwikkelen van een programma onder de naam [Re]Value, dat de samenwerking binnen en tussen afdelingen hoopt te verbeteren door instructie, teamopdrachten en coaching. Waarden zijn daarbij geen dictaten van bovenaf, maar de diepere aspiraties van mensen voor zichzelf, voor hun team en voor hun bijdrage aan het grotere geheel. Hopelijk lukt het om weg te blijven van de vrome slogans en loze kreten.

Want dat jeukt.

Bas van Os (1967), is bedrijfskundige en theoloog. Hij is medeoprichter van het Erasmus Center for Relational Economics, Values and Leadership. 

De inaugurele rede van Lans Bovenberg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt uitgesproken in een dubbeloratie met theoloog Paul van Geest op 1 november 2019, om 16.00 uur. Lees ook de column van Paul van Geest hierover

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief