Het evangelie dat zich uitdrukt als verheldering van de wereld

‘Voor christenen is een poëtische visie een plicht’, vond John Henry Newman. Hij werd op 13 oktober 2019 heilig verklaard. 
De heiligverklaring op 13 oktober 2019 in Rome, met Henry Newman op het middelste portret. Foto: ANP
De heiligverklaring op 13 oktober 2019 in Rome, met Henry Newman op het middelste portret. Foto: ANP
Op zondag 13 oktober 2019, tijdens de bisschoppensynode over de Amazone, werd John Henry Newman (1801-1890) in Rome heilig verklaard. Newman geldt als een intellectuele reus in eerst de Anglicaanse, en vervolgende de Rooms-Katholieke Kerk van de negentiende-eeuw. In de systematische theologie die Erik Borgman schrijft onder de titel Alle dingen nieuw, Een theologische visie voor de 21ste eeuw, speelt hij een centrale rol. 
 
Newman was een van de voorlieden van de zogenoemde Oxford Movement, een beweging die de Anglicaanse kerk sterker wilde verbinden met de vroegchristelijke wortels en daarbij tal van accenten zette die door tegenstanders als ‘Rooms’ werden beschouwd. Newman ging in 1845 over naar de kerk van Rome en werd in 1847 opnieuw tot priester gewijd. In 1848 trad hij toe tot de congregatie van de oratorianen, in 1570 gesticht door Philippus Neri (1515-1595). 
 
In 1854 werd Newman rector van de pas opgerichte Katholieke Universiteit van Ierland, tegenwoordig het University College Dublin. Als bestuurder was hij geen succes, maar zijn boek met een een serie lezingen over de universiteit geldt nog altijd als een klassieker: The Idea of a University. In 1872 werd Newman door paus Leo XIII kardinaal gecreëerd, na lange tijd door velen binnen de hiërarchie met argwaan te zijn bekeken. Naar verluidt stonden bij zijn begrafenis 15.000 mensen langs de straat om hem de laatste eer te bewijzen. 

Poëzie en religie

Newman heeft zich over veel belangrijke thema’s op een vernieuwende manier uitgesproken. Over de eigen aard van de geloofskennis. Over de ontwikkeling van de geloofsleer. Over de plaats van de leek in de katholieke kerk. Mij gaat het allereerst om het zinnetje dat hij in 1829 schreef in een essay: ‘Geopenbaarde religie behoort bij uitstek poëtisch te zijn – en is dat in feite ook.’ Newman zag de poëtische kwaliteit van religieuze ideeën, beelden en verhalen als teken van hun geopenbaarde, van God gegeven karakter. 
 
Newman spreekt van ‘poëzie’, maar deze was in zijn visie niet uitsluitend of voornamelijk te vinden in gedichten, of zelfs maar in literaire uitingen. In het essay uit 1829, getiteld Poëzie in relatie tot de poëtica van Aristoteles, definieert hij poëzie als het vermogen de eenheid en verbondenheid van alles dat is te zien en te verbeelden, en zo individuele personen en gebeurtenissen te ervaren als doortrokken van betekenis. 
 
Dit is volgens Newman wat religie zou moeten doen, en in feite doet als zij van God getuigt. Waarachtige religie, zo schrijft hij, ‘brengt ons in een nieuwe wereld – een wereld van overweldigend belang, van de meest sublieme inzichten en de teerste en puurste gevoelens’.

Religieuze waarheid is esthetisch

Dit is een opmerkelijk gezichtspunt onder theologen – nog altijd, maar zeker halverwege de negentiende eeuw. Toen werd de kwalificatie ‘geopenbaard’ doorgaans vanzelfsprekend gezien als indicatie voor de goddelijke oorsprong van het christendom, en daarmee als garantie voor de waarheid ervan. Newman is er echter niet op uit de waarheid van een religieuze overtuiging aan te tonen door de traditie waarin zij staat terug te voeren op een goddelijk en onfeilbaar begin. Voor Newman werd de goddelijke herkomst van de religieuze verbeelding aangetoond wanneer zij alles in een goddelijk licht blijkt te zetten. Door de specifieke manier waarop het christendom de religieuze visies, visioenen, verlangens en emoties van de mensheid samenvat en tot eenheid brengt, is het volgens Newman poëtisch en daarin zelf openbarend. Om het recht te doen moet het als zodanig worden gepresenteerd. Anders gezegd, voor Newman is de religieuze waarheid esthetisch. 
 
Het ontbreekt volgens Newman de moderne cultuur niet helemaal aan poëzie, maar zij heeft de voortdurende neiging haar poëzie te verliezen. De theologie zou er volgens Newman op gericht moeten zijn de poëzie terug te brengen in de cultuur vanuit wat volgens hem uiteindelijk de waarachtige bron hiervoor is: de christelijke religie waarin zij leeft en steeds opnieuw herleeft. 
 
Dit is voor mij theologisch een belangwekkende gedachte. Het christendom is geen statische traditie, maar de kracht die steeds opnieuw de cultuur vernieuwt door de werkelijkheid te tonen in een verrassend licht, doortrokken van betekenis. Steeds weer Alle dingen nieuw. 

Geloof als ‘vriendelijk licht’ 

Dat maakt het christelijke geloof tot een – populair gezegd – onzeker avontuur. Want religieuze waarheid, zo stelt Newman, ‘is noch licht noch duisternis, maar allebei samen’. Dit betekent voor hem dat religieuze waarheid een verlichte en verlichtende kant heeft, en een onverlichte, mysterieuze kant. In religie ervaren wij onderdelen en begrijpen we aspecten van een geheel dat als geheel voor ons verborgen is. Het kan alleen vagelijk worden vermoed in en door deze aspecten: ‘het is als het vage uitzicht op een land gezien in de schemering, met vormen die half aan het duisternis onttrokken zijn, met gebroken lijnen en geïsoleerde verbanden’. 
 
‘Poëzie’ in deze zin is een gestalte van wat Newman in het beroemdste van zijn eigen gedichten het ‘vriendelijk licht’ noemt, Gods licht dat in ons geloof wekt. Dit licht heeft de duisternis doorbroken, maar daarmee nog niet definitief verjaagd: 
 
Lead, Kindly Light, amid the encircling gloom
Lead Thou me on!
The night is dark, and I am far from home –
Lead Thou me on!

 
Leid, vriendelijk licht, te midden van ’t duister dat me omringt,
Leid gij mij voort!
De nacht is donker, en ik ben ver van huis –
Leid gij mij voort!
 
Het vriendelijk licht – Gods in de christelijke verkondiging geopenbaarde en tegelijkertijd verborgen waarheid en ons inzicht erin – is te vertrouwen, hoe ondoordringbaar de omringende duisternis mede dankzij het licht ook wordt: 
 
So long Thy power hath blest me, sure it still
Will lead me on,
O'er moor and fen, o'er crag and torrent, till
The night is gone.

 
Zo lang heeft uw macht mij gezegend, ze zal me zeker
Verder leiden!
Door heide en ven en over rots en vloed, totdat
De nacht is heengegaan.
 
Dit licht is voldoende als voorafbeelding van wat uiteindelijk geopenbaard zal worden en leidt de gelovige ‘vriendelijk’ naar deze openbaring in volheid. Dit is een essentieel aspect van religieus geloof en de gelovige moet zich er volgens Newman aan toevertrouwen: 
 
Keep Thou my feet; I do not ask to see
The distant scene – one step enough for me.

 
Richt Gij mijn voet; ik vraag niet om te zien
De verre einder – één stap is mij genoeg.
 
Het openbarende licht van de christelijke religie wordt slechts geleidelijk en stukje bij beetje gegeven. Steeds is er voldoende licht om te weten welke volgende stap gezet moet zetten, maar meer ook niet. Pas als dat gebeurd is, wordt een nieuwe stap verlicht. 

Een spiegel waarin hij zijn gezicht niet zag

Het christendom is wat Newman betreft van fundamenteel belang voor de cultuur. Dit inzicht spreekt echter geenszins vanzelf. In 1867 stelt Newman expliciet en in niet mis te verstane bewoordingen vast dat de wereld zoals ze is, de grootste poëtische waarheid van het christendom tot leugen lijkt te maken: het bestaan van een levende, persoonlijke en betrokken God. Als het niet zou zijn vanwege de stem die in zijn geweten zo duidelijk spreekt en vanwege zijn hart dat zozeer getuigt van de openbarende en poëtische kracht van de christelijke godsdienst, dan zou Newman naar eigen overtuiging ‘een atheïst, of een pantheïst of een polytheïst zijn als ik naar de wereld kijk’.
 
Vanwege deze sterke innerlijke stem en de getuigenis voelt Newman zich echter te midden van de bestaande wereld sterk ontheemd. Het is hem gedurig te moede, zo schrijft hij, alsof de wereld door de waarheid van het christendom te ontkennen ‘ontkende dat ik zelf bestond’; alsof hij ‘in een spiegel keek en zijn gezicht niet zag’. Newman kan naar eigen overtuiging argumentatief de moderne scepsis gemakkelijk weerleggen en het bestaan van een Schepper en Behoeder van de wereld met intellectuele scherpzinnigheid aantonen. Maar, zo zegt hij, dergelijke argumenten 
 
'brengen mij geen warmte of verlichting; ze nemen de winter van mijn verlatenheid niet weg, noch doen zij in mijn binnenste de knoppen ontluiken en de bladeren groeien, noch verheugen zij mijn morele wezen. Het aanzien van de wereld is niets anders dan de boekrol van de profeet, vol met ‘klaagliederen, treurzangen en weeklachten’.
 
Het slot van dit citaat verwijst naar de profeet Ezechiël. Aan hem wordt een boekrol getoond met ‘klaagliederen, treurzangen en weeklachten’ beschreven (Ezechiël 2:10). Ezechiël wordt opgedragen deze boekrol op te eten en ‘zij smaakte zo zoet als honing’ (3:3). 

Toebehoren aan de ware en noodzakelijke kerk

In zijn katholieke periode smaakte de bitterheid ook voor Newman in zekere zin zoet. Zij toont wat hem betreft het belang aan van de kerk als ‘een macht… bekleed met het prerogatief van de onfeilbaarheid in religieuze zaken’, als een ‘voorziening door de barmhartigheid van de Schepper om de religie in de wereld te bewaren’. In zijn visie heeft een waarachtige gelovige dankzij Gods genade geleerd het gebrek aan bevestiging door de wereld te interpreteren als vorm van goddelijke pedagogie, een aanmaning om verder te kijken dan de oppervlakte van de verschijnselen en de gebeurtenissen. De bitterheid van de wereld impliceert niet alleen een belofte, maar doet direct al een contrasterende zoetheid smaken: het toebehoren tot de ware, en voor de overleving van de geopenbaarde religie noodzakelijke kerk.
 
In Newmans redenering heeft de poëzie van de geopenbaarde religie een plaats nodig die buiten de moderne cultuur ligt teneinde de vrijheid van denken die hij ‘op zichzelf’ ziet als ‘een van onze grootste natuurlijke gaven’, te redden van ‘zijn eigen suïcidale excessen’ die de moderniteit domineren. Buiten de Rooms-Katholieke Kerk ziet Newman overal die zelfdestructieve krachten aan de winnende hand. 

Einde van het geloof in de openbarende poëzie? 

De vraag komt echter op of dit niet in feite het opgeven betekent van het geloof in de openbarende poëzie van de christelijke religie die ons in een nieuwe wereld brengt van ‘overweldigende interesse, van de meest sublieme inzichten en de teerste en puurste gevoelens’, zoals ik jongere Newman citeerde. Wordt deze dan niet ingeruild voor een koppig vasthouden aan de macht van de kerk omdat die in staat zou zijn haar binnenruimte vrij te houden van de destructieve krachten van de moderne cultuur? 
 
‘Voor christenen is een poëtische visie op de dingen een plicht’, schrijft Newman in 1829 in zijn essay, ‘wij zijn eraan gehouden alle dingen te kleuren met de tinten van het geloof, om een goddelijke betekenis en een bovennatuurlijke gerichtheid’ te zien in elke gebeurtenis. Maar maakt Newmans ervaring dat de eigentijdse wereld de christelijke poëzie ontkent en deze daarom gedwongen is zijn toevlucht te vinden in een krachtig door de kerk beschermde omgeving, niet duidelijk dat dit onmogelijk is geworden? 

Het specifieke van de christelijke poëzie

We kunnen niet leven van redeneringen en intellectuele conclusies, maakt Newman telkens opnieuw duidelijk. Precies daarom hebben we de poëzie van de religie nodig, zo schrijft hij in 1841: 
 
Het hart wordt doorgaans bereikt niet door de rede, maar door de verbeelding, door middel van directe indrukken, door de getuigenis van feiten en gebeurtenissen, door de geschiedenis, door beschrijvingen. Personen beïnvloeden ons, stemmen ontdooien ons, uiterlijkheid verleidt ons, daden zetten ons in vuur en vlam.
 
Religieuze tradities in het algemeen en het christendom in het bijzonder vertellen verhalen, representeren stemmen, belichamen uiterlijkheden en stellen daden: daarom hebben zij volgens Newman invloed op manieren waarop filosofie en wetenschap die niet hebben. Maar juist hier is het de vraag of Newman niet een te algemeen beeld hanteert van de poëzie van het christendom. Heeft deze poëzie niet iets veel specifiekers te zeggen, juist wanneer zij bedreigd wordt? 

Het teken van Jona

Het evangelie van Matteüs vertelt dat, wanneer de farizeeën en sadduceeën Jezus een teken uit de hemel vragen om de geloofwaardigheid duidelijk te maken van zijn boodschap dat Gods rijk nabij is, deze hen tot twee keer toe ‘het teken van Jona’ belooft (Mattheüs 12:39 en 16:4). Dit teken wordt door Jezus zelf gepresenteerd als uitermate ambivalent: ‘Zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde zijn’ (Mattheüs 12:40). Het is in de context van het Matteüsevangelie duidelijk dat Jezus hier verwijst naar zijn dood en begrafenis. Wat het definitieve teken lijkt van de overwinning op het leven door de krachten van chaos, vernietiging en dood – in het boek Jona de storm, de zee en het zeemonster, in de evangelies de machten die Jezus onderwerpen aan de vernedering van lijden en dood door kruisiging – wordt uiteindelijk een teken van de overwinning van het leven op deze krachten. ‘De dood is verzwolgen door de overwinning’, schrijft de apostel Paulus (1 Korinthiërs 15:54) als hij de betekenis uitlegt van het sterven en verrijzen van de Gezalfde Jezus. 
 
Stuiten we hier niet bij uitstek op de openbarende poëzie van het christendom: wat ondergang lijkt, is voorbode van een niet te anticiperen overwinning? Het zou dan een belangwekkend teken van hoop zijn na de twintigste eeuw, die nog veel dieper en fundamenteler geschokt is door de overmacht van het kwaad, waarmee zij in nog extremere mate werd geconfronteerd dan de negentiende waarin Newman leefde. Het lijkt mij daarbij niet te ontkennen dat de Rooms-Katholieke Kerk zichzelf niet vrij heeft weten te houden van excessief kwaad en onpeilbare schuld, van medeplichtigheid aan verontmenselijking en Jodenhaat, en hierdoor aan deportatie en genocide. Zij is dus niet de veilige haven voor een poëzie die redt, zoals Newman gelooft. 

Dubbelzinnige geschiedenis

Alleen een christelijke poëzie die zich rekenschap geeft van het feit dat het christendom deel is van de dubbelzinnige geschiedenis waarin zij Gods redding aankondigt door deze te verbeelden, is daarom nog overtuigend. Dan wordt denkbaar dat wij, wanneer wij denken geconfronteerd te worden met het einde van het christendom als levende poëzie, oog in oog blijken te staan met een verborgen manifestatie van de transformerende macht van Gods liefde. 
 
Als de vrouwen die Jezus tot het einde toe hebben gevolgd, na zijn dood bij het graf aankomen, lijkt alles verloren. Met zijn dood was hun hoop al de bodem ingeslagen, maar nu blijkt ook zijn graf leeg. Zelfs het lichaam dat zou kunnen herinneren aan de hoop die zij ooit koesterden en zo nog enigszins troost kon bieden, is verdwenen. Maar juist op dat moment wordt hen volgens de evangelies in verschillende varianten gezegd: ‘Waarom zoekt u de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt’ (Lucas 24:5-6) ‘zoals Hij gezegd heeft…; ga snel tegen zijn leerlingen zeggen: Hij is uit de doden opgewekt, en zie, Hij gaat voor u uit naar Galilea’ (Mattheüs 26:6-7). ‘Daar zult u hem zien, zoals Hij u gezegd heeft’ (Marcus 16:7). 
 
Waar alle perspectief is doodgelopen, wordt nieuw perspectief geboren. Dit drukt in mijn visie bij uitstek de grondstructuur van de christelijke poëzie uit. Het wordt in het Johannesevangelie poëtisch samengevat als: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort’ (Johannes 13:24).

Het evangelie dat zich uitdrukt als verheldering van de wereld. 

Cryptisch, maar suggestief stelde de Engelse theoloog en dominicaan Cornelius Ernst (1924-1977) al in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat theologie een ontmoeting is van de kerk en de wereld, waarin de betekenis van het evangelie zich uitdrukt als een verheldering van de wereld. Zo draagt zij bij aan de mogelijkheid dat zich dankzij deze verhelderende betekenis opnieuw kerk vormt. 
 
Juist waar de kerkelijke traditie niet langer haar eigen macht centraal kan stellen, kan zij het licht doen schijnen op en woorden geven aan de verborgen, maar reële nabijheid van het koninkrijk van God aan onze wereld. Deze nabijheid vormt de wereld om, inclusief de kerk en het kerkelijk spreken. 
 
Erik Borgman is lekendominicaan en hoogleraar theologie aan Tilburg University. Hij werkt aan een theologie in drie boekdelen onder de titel Alle dingen nieuw: Een theologische visie voor de 21ste eeuw. Het eerste deel verschijnt voorjaar 2020 bij Kok Boekencentrum. Op Het Goede Leven publiceert hij artikelen naar aanleiding van deze driedelige theologie.

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief