Staatsonderwijs heeft grotere nadelen dan vrijheid van onderwijs

Met afschaffing van de vrijheid van onderwijs komen we van de regen in de drup, vindt hoogleraar Mirjam van Veen.
Over het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam ontstond ophef. FOTO: ANP
Over het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam ontstond ophef. FOTO: ANP
Het is weer zo ver: een islamitische scholenkoepel die homofoob en vrouwonvriendelijk gedrag aanwakkert en Haagse partijen die roepen om (op zijn minst) een revisie van artikel 23 waarin de vrijheid van onderwijs is geregeld. Omdat ik zelf lid ben van de grote roze familie, weet ik wat het is om last te hebben van religieuze fanatici die je toewensen dat je voor eeuwig brandt in de hel. 

Het onzeker zoeken naar identiteit uit mijn kinder- en puberjaren heb ik ruimschoots achter me heb gelaten, maar het blijft het pijnlijk en beschadigend als mensen menen dat je er niet mag zijn en dat je deel uitmaakt van een soort vijfde colonne die geen ander doel zou hebben dan het ondermijnen van de samenleving. Ik heb zelf nog maar pas het gekrakeel over de Nashville-verklaring bij mijn eigen werkgever - de theologische faculteit van de Vrije Universiteit - overleefd. 

Ik kan mij de woede over fanatici die jonge mensen hun eigen identiteit ontzeggen, goed voorstellen. Ook ik vraag mij geregeld af of het niet beter zou zijn het onderwijs over te laten aan de overheid, zodat kinderen en pubers gevrijwaard blijven van opvattingen die mensen uitsluiten en beschadigen. Maar de vraag is of het afschaffen van artikel 23 veel oplost en of wie het onderwijs overlaat aan de overheid niet een groter kwaad creëert.

De onderwijsvrijheid is niet onbeperkt

Artikel 23 garandeert diversiteit in het onderwijs en garandeert dat kinderen onderwijs kunnen krijgen dat past bij de levensovertuiging van hun ouders. De vrijheid van ouders om een school te kiezen die bij hun levensovertuiging past, is niet onbeperkt. Het grootste deel van het lesprogramma ligt vast, zodat scholen beperkte ruimte hebben om naar eigen inzicht hun lesprogramma op te stellen. De mogelijkheid om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten is in de loop van jaren kleiner geworden. Lessen burgerschap bijvoorbeeld moeten garanderen dat leerlingen zich burger gaan weten van de Nederlandse samenleving. Dat sommige scholen desondanks de mogelijkheid grijpen om opvattingen te verkondigen die haaks staan op de gangbare waarden en normen van onze samenleving, valt niet te ontkennen. De idee dat bijvoorbeeld jongens en meiden elkaar niet zouden mogen aankijken, stuit ook mij tegen de borst.

Maar wat lost het afschaffen van het bijzonder onderwijs op? Nederland is met artikel 23 en met zijn bijzondere scholen redelijk uniek. De lastige vraag hoe groepen met een verschillende en soms tegengestelde levensovertuiging vreedzaam met elkaar kunnen samenleven, is in andere landen echter net zomin bevredigend opgelost als hier. De vraag hoe verschillende levensovertuigingen vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan, valt niet los te zien van de vraag hoeveel ruimte er is voor afwijkende opvattingen en dissidente stemmen. Hoeveel mogelijkheden gunt de meerderheid aan minderheden, om hun eigen gedachtegoed te propageren en volgens hun eigen levensovertuiging te leven? Bij de huidige verhoudingen is dat een vraag die met name liberale partijen moeten beantwoorden. Tolerantie is immers het voorrecht van de meerderheid. De meerderheid heeft de mogelijkheid idealen dwingend op te leggen, of te besluiten geen gebruik te maken van haar macht en minderheden de ruimte te laten. In hoeverre is de liberale meerderheid bereid mensen die andere normen en waarden hebben dan het dominante liberale waardenpatroon te tolereren? Deze kritische en ongemakkelijke vraag ontbreekt te vaak in het debat.

Liever van staatswege een levensovertuiging meegeven?

De idee dat de overheid de panacee is voor alle problemen is bovendien naïef. Hoewel het track record van gelovigen als het gaat om tolerantie, leven en laten leven, niet best is, is dat van overheden nog slechter. De totalitaire staat die een ideologie dwingend wil en kan opleggen, is voor mensen met afwijkende visies een groter gevaar dan een kerk of een moskee. Wetten en regels beschermen daarom de burger tegen de macht van de staat. Te gemakkelijk wordt er in het debat over artikel 23 vanuit gegaan dat wanneer de overheid bepaalt wat er in scholen precies gebeurt, leerlingen niet meer zullen worden geconfronteerd met gedachtegoed dat mensen beschadigt. Te weinig wordt de vraag gesteld hoe je bij een revisie van artikel 23 diversiteit in het onderwijs waarborgt en voorkomt dat alle leerlingen van staatswege een levensovertuiging meekrijgen.

Hoewel ik mij bij orthodoxe fanatici slecht op mijn gemak voel, en hoewel ik D66 en aanverwante partijen eeuwig dankbaar ben voor de openstelling van het huwelijk voor mijn soort, moet ik er toch niet aan denken dat we alles en iedereen opvoeden tot brave liberalen.   

Mirjam van Veen is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief