Leerlingen moeten presteren, maar willen zichzelf leren kennen

Bij scholieren is de motivatie soms ver te zoeken. Ze voelen prestatiedruk, maar willen tijd om zichzelf te leren kennen.
Van de veertienjarigen geeft nog maar 72 procent aan school leuk te vinden. Foto: ANP
Van de veertienjarigen geeft nog maar 72 procent aan school leuk te vinden. Foto: ANP
Overal in Nederland zijn de scholen weer begonnen. Niet alle leerlingen hebben aan het begin van een nieuw schooljaar weer zin om terug naar school te gaan. Met name onder middelbare scholieren is de motivatie soms ver te zoeken, blijkt uit onderzoek. Die afnemende schoolwaardering lijkt samen te hangen met een toenemende druk die jongeren in de loop van hun schoolcarrière ervaren. In dit essay wordt ingegaan op de vraag waar die druk vandaan komt en hoe gevoelens van competentie, autonomie en verbondenheid een rol spelen in het op peil houden van de motivatie. Ten slotte wordt aangegeven wat scholen, docenten en mentoren kunnen bijdragen aan het welzijn van hun leerlingen.

Kinderen en jongeren reageren verschillend op de start van het nieuwe schooljaar. Sommigen zien ernaar uit om hun vrienden weer te zien terwijl anderen buikpijn krijgen bij de gedachte aan de klasgenoten die hen vorig schooljaar het leven zo zuur maakten. De een heeft zin om weer een dagelijks ritme op te pakken en nieuwe dingen te leren. Een ander ziet er tegenop om weer lange dagen binnen te moeten zitten en aanzienlijk minder vrije tijd te hebben.

Motivatie neemt af

Globaal gezien is er wat betreft de zin om weer naar school te gaan een verschil tussen basisschoolkinderen en middelbare scholieren. Middelbare scholieren zijn vaak wat minder enthousiast over school. Het vierjaarlijkse HBSC (Health Behavior in School-Aged Children) rapport naar gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland laat zien dat in 2017 88 procent van de basisschoolleerlingen school een beetje tot heel leuk vindt. Ditzelfde geldt voor 75,4 procent van de middelbare-schoolleerlingen.
De cijfers laten ook zien dat schoolwaardering in het voortgezet onderwijs aanzienlijk afneemt tussen het twaalfde en veertiende jaar: 90 procent van de twaalfjarigen vindt school leuk. Van de veertienjarige jongeren geeft nog maar 72 procent aan school leuk te vinden. Hoewel gemiddelden en percentages nooit over individuen gaan, vraag ik me als moeder van een twaalfjarige dochter die na een fijne basisschooltijd gehad te hebben nu erg veel zin heeft om te starten in de brugklas, toch wel af hoe lang zij en haar nieuwe klasgenoten dit schoolplezier zullen weten vast te houden. En wat kan hen daarbij helpen?
Afnemende schoolwaardering kan te maken hebben met de toenemende ervaren druk van schoolwerk. In groep 8 ervaart ongeveer 1 op de 8 leerlingen (nogal) veel druk door schoolwerk. Ditzelfde geldt voor meer dan 1 op de 3 leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Dat is nogal een verschil! De groep jongeren die druk ervaart wordt aanzienlijk groter tussen het twaalfde en veertiende jaar: 25 procent van de twaalfjarigen ervaart druk door schoolwerk versus 41 procent van de veertienjarigen.

Steeds meer druk door schoolwerk

Die ervaren druk door schoolwerk lijkt de laatste jaren opvallend toegenomen te zijn: het percentage leerlingen dat in 2017 (nogal) veel druk door schoolwerk ervaart is zowel voor het basisonderwijs als voortgezet onderwijs ongeveer twee keer zo groot als in 2001. Het percentage leerlingen in het voortgezet onderwijs dat veel druk ervaart, steeg in de laatste vier jaar zelfs met bijna 8 procentpunten, van bijna 28 naar ruim 35 procent.
Aan de hand van een welzijnsladder is in het HBSC onderzoek ook gevraagd hoe jongeren zich voelen over hun leven. Deze ladder loopt van 0 ‘slechtste leven dat ik me kan voorstellen’ tot 10 ‘beste leven dat ik me kan voorstellen’. Leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn minder tevreden over hun leven dan leerlingen op de basisschool: gemiddeld geven leerlingen in het voortgezet onderwijs hun leven een 7,6. Het gemiddelde van basisschoolleerlingen is 8,3. Als we daarbij verder inzoomen op het voortgezet onderwijs blijkt dat oudere leerlingen iets minder tevreden zijn over hun leven dan jongere leerlingen: zestienjarigen beoordelen hun leven gemiddeld met een 7,3 terwijl twaalfjarigen hun leven gemiddeld een 8,1 geven. Ook uit deze cijfers ontstaat de indruk dat de toegenomen ervaren druk door schoolwerk een aanzienlijke impact heeft op jongeren. Daarom is het goed om hier wat verder bij stil te staan. Hoe komt het dat jongeren steeds meer druk van schoolwerk ervaren?

Bijlesgeneratie

Ten eerste is de druk van ouders om hun kinderen goed te laten presteren in de laatste jaren toegenomen. Ouders realiseren zich steeds meer dat een hoog opleidingsniveau van groot belang is bij het verkrijgen van een goede maatschappelijke positie en zijn eerder geneigd om huiswerkbegeleiding en bijles voor hun kinderen in te kopen. Onderwijswetenschapper Louise Elffers spreekt in dit verband over de ‘bijlesgeneratie’.
Ten tweede zou het ambitieniveau van leerlingen gestegen zijn, niet alleen onder druk van ouders maar ook onder invloed van een maatschappij die in toenemende mate competitief is ingesteld. Hiermee lijkt een einde gekomen te zijn aan de zogenaamde zesjescultuur die we in Nederland lange tijd gekend hebben. Met ambitie is niets mis, maar als leerlingen mede vanuit externe druk van ouders en maatschappij op een onderwijsniveau terecht komen dat eigenlijk te hoog voor ze is, dan is het niet verwonderlijk dat men meer druk door schoolwerk ervaart. Daarnaast kan de toegenomen ervaren werkdruk te maken hebben met aangescherpte exameneisen. Het onderwijsprogramma is (nog) niet veranderd maar de eisen om over te kunnen gaan of te kunnen slagen zijn in de loop van de jaren wel verhoogd.
Het is niet verwonderlijk dat jongeren die druk ervaren door schoolwerk minder zin hebben om na de vakantie weer terug te gaan naar school. Druk en negatieve stress kunnen verlammend werken en het gevoel geven ‘het toch niet te kunnen’. Gebrek aan motivatie komt, geredeneerd vanuit de in het onderwijsveld veel gehanteerde zelfderminatietheorie van Ryan en Deci, voort uit onvoldoende erkenning van drie basisbehoeften: mensen willen zich competent voelen, autonoom zijn en verbonden zijn met anderen. Luc Stevens, voormalig hoogleraar orthopedagogiek, omschreef deze elementen kernachtig als: ‘Ik kan het’, ‘Ik kan het zelf’ en ‘Ik hoor erbij’. Deze drie randvoorwaarden werken door in hoe jongeren gemotiveerd raken en blijven, maar ook in hoe ze motivatie verliezen en in meer of mindere mate afhaken. Zo kunnen slechte cijfers tot de overtuiging ‘ik kan het toch niet’ leiden. Die overtuiging veroorzaakt stress en vermindert motivatie. Een ervaren gebrek aan ruimte om eigen keuzes te maken en (mede)zeggenschap te hebben over het eigen leerproces werkt eveneens demotiverend.

‘Erbij horen’

Verbinding ervaren, de derde randvoorwaarde, is cruciaal, zeker in de adolescentie. Juist in die levensfase is ‘erbij horen’ erg belangrijk. De ontwikkelingspsycholoog Erickson definieerde identiteitsontwikkeling als de belangrijkste ontwikkelingstaak in de adolescentie. Een geslaagde identiteitsontwikkeling uit zich, aldus Erikson, in het aangaan van commitments, verbindingen. Om tot gezonde verbindingen te komen is het belangrijk dat jongeren ruimte hebben om authentieke (‘autonome’) keuzes te maken. Daarom is ‘exploratie’ eveneens erg belangrijk in Eriksons identiteitstheorie. Jongeren dienen tijd en ruimte te krijgen om te experimenteren en het aangaan van commitments nog wat uit te stellen, zo schrijft hij in 1968 in zijn boek Identity, youth and crisis. Sinds de jaren zestig is er nogal wat veranderd in onze samenleving.
Het individualiseringsproces is in een stroomversnelling geraakt en de keuzevrijheid om het leven naar eigen inzicht in te richten is enorm toegenomen. Niet langer wordt de levensweg voor een groot deel vormgegeven in lijn met het gezin en de gemeenschap waarin men opgroeit. Deze keuzevrijheid moet echter niet alleen positief gezien worden. Het maken van eigen keuzes vergt namelijk ook veel reflectie. Voor jongeren betekent een grotere keuzevrijheid ook een grotere verantwoordelijkheid. Keuzes mogen niet alleen gemaakt worden, ze moeten ook gemaakt worden. En dan niet alleen op het gebied van studie, maar ook ten aanzien van onder meer relaties, vrije tijd en hoe je in het leven staat ofwel levensbeschouwing. Veel hedendaagse jongeren krijgen, in tegenstelling tot vroegere tijden, in de opvoeding geen expliciet zingevingskader meer aangereikt. Dat betekent dat jongeren ook zelf tot antwoorden op existentiële levensvragen als ‘waarom besta ik?’, ‘wat is goed leven?’en ‘waar wil ik me voor inzetten?’ moeten komen.

Vorming

Het aangaan van verbindingen op al die diverse terreinen, is in onze tijd dus een behoorlijke uitdaging geworden. En dat terwijl ‘erbij horen’ een fundamentele basisbehoefte is van ieder mens. De vraag is dan wat de rol van onderwijs hier is, juist in een tijd waarin er zoveel nadruk wordt gelegd op presteren. Wat mij betreft gaat goed onderwijs over veel meer dan alleen goede toetsresultaten, hoe waardevol op zich ook. Goed onderwijs gaat om evenwichtige vorming in alle domeinen van het leven. Om het gehele mens-zijn dus. Inclusief lichamelijkheid, creativiteit, muzikaliteit, spiritualiteit enzovoorts.
Als belangrijk element van persoonsvorming zie ik het zichzelf leren kennen en ontdekken wat in het eigen leven bronnen van zingeving kunnen zijn. Jongeren hoeven die bronnen niet zelf uit te vinden, maar kunnen door anderen met verhalen uit diverse wijsheidstradities in contact gebracht worden. Binnen de context van het onderwijs heeft de docent hier een belangrijke rol. Die schept de ruimte om persoonsvorming mogelijk te maken in de klas. De docent kan leerlingen stimuleren om een eigen levensoriëntatie te ontwikkelen. De docent dient daarbij als rolmodel voor de leerlingen. Docenten kunnen leerlingen laten zien hoe zij zelf omgaan met levensvragen en hoe en waar zij zelf oriëntatie in het leven vinden. De relatie tussen een docent en zijn leerlingen is daarbij van essentieel belang. Vanuit een goede relatie kan een sfeer van veiligheid en vertrouwen ontstaan waarin leerlingen zich gestimuleerd weten om zowel te exploreren als om verbindingen aan te gaan en zich verbonden te weten (‘Ik hoor erbij’). Een dergelijke relatie kan ontstaan in een schoolgemeenschap waarin elk individu, zowel leerling als docent, ertoe doet en men elkaar erkent als waardevol en belangrijk.
Helaas blijkt uit het al eerder aangehaalde HBSC rapport dat middelbare scholieren duidelijk minder positief zijn over hun relatie met leraren dan basisschoolleerlingen. 89 procent van de basisschoolleerlingen ervaart de relatie met leraren als (heel) goed. Op de middelbare school geldt dit voor slechts 64 procent van de leerlingen. Ongetwijfeld speelt hier mee dat leerlingen in het voortgezet onderwijs met veel meer docenten te maken hebben dan op de basisschool. Doordat het contact minder frequent en intensief is, is het lastiger om een band op te bouwen. Naast het investeren in de school als gemeenschap, ook buiten de lessen om, is het inrichten en in stand houden van een goed functionerend mentoraat daarom in het voortgezet onderwijs des te belangrijk.

Basiserkenning

Als er iets is wat jongeren op de weg naar volwassenheid kan bemoedigen en motiveren, dan is het wel dat zij op school mogen merken dat ze gezien worden en bevestigd worden in het feit dat ze ertoe doen. Vanuit die basiserkenning kunnen jongeren dan gestimuleerd worden om hun eigen plekje in school en samenleving te vinden en te ontdekken op welke concrete manier zij nodig zijn voor de toekomst. Tijd en ruimte voor persoonsvorming binnen de schoolmuren is helaas echter nog geen vanzelfsprekendheid. Met het oog op het welzijn van onze kinderen en jongeren is het wat mij betreft echter wel een noodzakelijkheid. Het is namelijk niet alleen belangrijk dat zoveel mogelijk leerlingen na de zomer weer veilig op school kunnen komen, maar minstens zo waardevol en belangrijk is dat zij zich, eenmaal aangekomen op school, welkom en gezien weten. Vanuit de ervaring erbij te mogen horen ontstaat ruimte om te willen leren. Als dat leren dan ook nog aansluit bij de eigen mogelijkheden en talenten (competentie) en er gelegenheid is om zelf mee richting te geven aan het leerproces (autonomie) wordt aan drie belangrijke basisbehoeften voldaan.
Ongetwijfeld zal mijn dochter de komende jaren niet alle dagen zo enthousiast op haar fiets springen als in de introductieweek. School is niet altijd leuk en dat hoeft ook niet. Ongetwijfeld zal ook mijn dochter in de komende jaren de nodige druk door schoolwerk gaan ervaren en zal zij op haar weg naar volwassenheid de nodige uitdagingen tegenkomen.
Ik gun mijn dochter en haar generatiegenoten daarom dat ze zich op school gezien voelen, zich verbonden weten en leren zelf ook waardevolle verbindingen aan te gaan. Dat ze op school hun talenten kunnen inzetten en eigen inbreng kunnen hebben. Dan kunnen we onze jongeren met een gerust hart naar school laten vertrekken. De scholen zijn weer begonnen.

Gerdien Bertram-Troost is als Universitair Hoofddocent Godsdienstpedagogiek verbonden aan zowel de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen als de Faculteit Religie en Theologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze bekleedt daar de Verus-VU-Onderzoekplaats voor Levensbeschouwelijke Vorming.

Het Goede Leven Word abonnee van Het Goede Leven

  • Onbeperkt toegang
  • Gratis deelname 1 evenement
  • Wekelijkse nieuwsbrief